Dogens Shoji, ‘Geboorte en dood’. Vrij van geboorte en dood.

Geplaatst door op 07:42 in Blog | 0 reacties

Derde deel van een teisho uitgesproken door Maurice Genko Knegtel Roshi, tijdens de stille zen zondag op 17 december 2017, als afscheid van Lazuli te Utrecht, dat tien jaar lang onderdak bood aan de Zen Cirkel Utrecht. De transcriptie is gemaakt door Eerwaarde Ben Claessens.

Zij die vrij willen zijn van geboorte en dood, zullen de betekenis van deze woorden moeten begrijpen. Als je zoekt naar een boeddha buiten geboorte en dood, dan is het alsof je naar het zuidelijk land van Yue wilt gaan, met je speer richting noorden, of het is als je de Grote Beer wilt zien terwijl je naar het zuiden gericht staat. Dan val je in geboorte en dood en verlies je de weg van bevrijding.

Wat Dogen zegt: als je de Boeddha, ontwaken, aanwezigheid, bevrijding zoekt buiten geboorte en dood, dan verlies je de weg van bevrijding. Hoe komt dat? Omdat de Boeddha er per definitie in zit, geboorte-en-dood IS het pad, er is niets daarbuiten. Dat is een van de lastige aspecten van onze weg. We willen al gauw ergens van af. Dat werkt in zen niet, je moet er midden in gaan zitten. Hoe krijg je een gezonde relatie met angst? Door je te laten overspoelen met angst! Door angst echt en volledig te zijn! Een wond heel je door de wond te zijn.

Begrijp dat geboorte en dood zelf nirvana zijn.

Alle Mahayana teksten zeggen: samsara IS nirvana. Het zijn niet twee verschillende zaken. De letterlijke betekenis van nirvana is: onverstoorbare vrijheid van geest. Het is geen zevende hemel of iets heerlijks ver weg van hier. Hoe kan een geest onverstoorbaar zijn? Door niet bevangen te zijn door concepten en daarmee, wat we met die concepten aanduiden, zélf te zijn.

Er is niets zoals geboorte en dood om te vermijden, er is niets zoals nirvana om te zoeken.

Waarom ‘niets zoals geboorte en dood?’ Wat is geboorte en dood? Het is wat hier gaande is, precies dit. Dit is een open energie, zolang ik niets met de ervaring doe. Het is onbepaald, leeg van enige substantie, sunyata.

Alleen wanneer je je dit realiseert, ben je vrij van geboorte en dood.

Nu volgt een stukje tekst dat in feite Dogens Uji in een notendop is.

Het is een misverstand dat geboorte in dood verandert. Geboorte is een fase die een periode op zich is, met een eigen verleden en toekomst. Om deze reden is in boeddha dharma geboorte begrepen als niet-geboorte. Dood is een periode op zichzelf, met zijn eigen verleden en toekomst. Om deze reden wordt dood begrepen als niet-dood.

Geboorte is een fase met een eigen verleden en toekomst, hetzelfde geldt voor dood. Dit moment bevat alles, in tijd en ruimte, maar drukt zich op een specifieke wijze uit, namelijk de wijze waarop we het nu ervaren. De totale toekomst, het totale verleden en alle wezens drukken zich uit in deze energie van geboren worden of van sterven. In deze ruimte bevinden zich al onze voorouders, maar ook ons (potentieel) nageslacht.

In geboorte is er niets dan geboorte. In dood is niets dan dood. Daaruit volgend, wanneer geboorte komt, ontvang en realiseer je dan geboorte. Wanneer de dood komt, ontvang en realiseer je dan dood. Probeer ze niet te vermijden of er naar te verlangen.

In het boeddhisme geldt pratityasamutpada als een van de meest authentieke onderrichten waarover de Boeddha heeft gesproken. Het is dé boeddhistische wijze van de werkelijkheid tegemoet treden, alles treedt op in afhankelijkheid van condities. Dat je iets meemaakt, treedt op in afhankelijkheid van condities, er gaat iets aan vooraf, er zijn omstandigheden, handelingen, gebeurtenissen en situaties die geleid hebben tot wat er nu is. Al die condities maken het mogelijk dat ‘dit’ en niets anders dan ‘dit’ plaatsvindt. Alles zit erin besloten, alles baart die ene conditie. Dogen vraagt terecht: is er ook maar iets dat op dit moment is uitgesloten van jouw aanwezigheid hier en nu? Een prachtige vraag. Deze tekst heeft dan ook alles met de instelling van de beoefenaar te maken. Hij zegt: als geboorte komt, ben geboorte! Als het regent, ben de regen! Enz..

In zen is de uitgang de ingang. Als je vrij wilt worden van dood, is dood de ingang. Als je vrij wilt worden van angst, is angst de ingang. Als je vrij wilt worden van je vader en moeder, wees je vader en je moeder, zij zijn de ingang. Die instelling wordt in de volgende tekst perfect verwoord:

Deze geboorte en dood is het leven van de Boeddha. Als je het wilt buitensluiten, zal je je leven als Boeddha verliezen. Als je eraan hecht en erin wilt verwijlen, zal je je leven als boeddha ook verliezen. Wat resteert is slechts een holle vorm van leven. Alleen wanneer je geboorte en dood niet afwijst of ernaar verlangt, zal je Boeddhanatuur binnengaan.

Analyseer het niet en spreek er niet over. Vergeet je lichaam en geest en werp ze in het huis van de Boeddha, dan is alles tot stand gebracht door de Boeddha.

Vertrouw je aanwezigheid. Vertrouw erop dat het in orde is dat je hier bent.

Als je dit navolgt ben je vrij van geboorte en dood en word je een Boeddha zonder inspanning of berekening. Wie zou er dan nog nadenken?

Als je aanwezig bent, ben je het al. Het laatste stukje tekst is mijn inziens later toegevoegd.

Er is een eenvoudige manier om een Boeddha te worden. Als je je terugtrekt van onheilzame acties, niet gehecht bent aan geboorte aan dood en compassievol bent jegens alle levende wezens, als je respectvol bent naar ouderen en aardig voor kinderen, niets uitsluitend of begerig naar iets, zonder peinzen of zorgen, kun je waarlijk een Boeddha genoemd worden. Zoek niet naar iets anders.

Wat is je conclusie? Dan maar geen Boeddha worden en liever een bodhisattva, ‘een Boeddha in wording’ blijven? Of raadpleeg je deze tekst in je dagelijkse leven?

Een nieuwe Zen Cirkel onder leiding van Maurice Genko Knegtel Roshi start op maandagavond 24 september, 19.30 uur, in het Graalhuis in Utrecht. Informatie en opgave deze link.

Dogens Shoji, ‘Geboorte en dood’. De openingsregels.

Geplaatst door op 08:14 in Blog | 0 reacties

Tweede deel van een teisho uitgesproken door Maurice Genko Knegtel Roshi, tijdens de stille zen zondag op 17 december 2017, als afscheid van Lazuli te Utrecht, dat tien jaar lang onderdak bood aan de Zen Cirkel Utrecht. De transcriptie is gemaakt door Eerwaarde Ben Claessens.

Dan de tekst: Shoji, ‘geboorte en dood’. Het is opvallend dat in een tekst als Uji geboorte en dood helemaal niet voorkomen. Uji staat bol van tijdelijkheid, het komen en gaan en niet komen en gaan, het eeuwige nu. Hier hebben we dan in Shoji geboorte en dood. En dan blijkt dat die tekst helemaal niet zozeer over geboorte en dood gaat! Waar het wel om gaat, is de instelling van de beoefenaar op de Weg. De instelling van de persoon die het contemplatieve pad gaat. Dogen schrijft het op een wijze waarin dit nog niet eerder zo duidelijk is verwoord. Het gaat over de glans van de komst van iets nieuws en de glans van het afscheid. Daarover gaat het in Dogens ‘Geboorte en dood’.

Dogen begint met twee citaten, in de vertaling van Tanahashi en Kotler:

Omdat een boeddha in geboorte en dood is, is er geen geboorte en dood. Omdat een boeddha niet in geboorte en dood is, is een boeddha niet begoocheld door geboorte en dood. Deze uitspraken zijn de essentie van de woorden van twee zen leraren, Jiashan en Dingshan. Veronachtzaam ze niet, omdat ze de woorden zijn van hen die de Weg volbrachten.

Welke boodschap wordt hier gecommuniceerd? Waar staan we hier? Het lezen van zen teksten is de kunst van inbreken, zonder al teveel schade te maken. Boeddha is een symbool, geen eigen naam. Waar staat een symbool voor? Het geeft datgene wat lastig is uit te drukken toch een specifieke plek in het bewustzijn. Je kunt je er iets bepaalds mee realiseren. Het symbool boeddha staat voor ‘ontwaakt’, het woord is afgeleid van de wortel budh, waken, wakker zijn. In onze realiteit staat het voor ‘hier zijn’, de directe waarneming. Wat impliceert wakker zijn? Je kunt zeggen eenheid, grote intimiteit, onbevangenheid. De enige basis is ‘aanwezigheid’, het oog dat nooit slaapt. Er is iets dat wakker is in de grootste bevangenheid. In alle Chinese verhalen wordt naar deze grote aanwezigheid verwezen. Waar is de ingang? Hoor je het gekabbel van de beek? Wat is het dat hoort? De basis waarop we wakker worden is aanwezigheid, Boeddha. Wat er in een rituele vorm zoals de zit meditatie gebeurt, we nemen de houding van een Boeddha aan en daarmee zijn we de Boeddha. We zijn aanwezig, helemaal. En je hoeft er niets voor te doen, alleen iets voor te laten.

Boeddha staat voor de aanwezige. Als je terug gaat naar aanwezigheid, wat kun je dan zeggen over die aanwezigheid? Er is alleen dit. En wat is dit? Wat zich nu voordoet: dit geluid, dit beeld, deze geur, enz. Een onervaren persoon in de meditatie zou denken: al die geluiden, ga weg, ik wil mediteren! Maar stel dat die persoon zou overgaan tot een onverdeelde aanwezigheid, wat is er dan? Geen geluid, geen beeld, geen geur, maar heel concreet precies dat wat er is. Er is hier geen dualisme, geen probleem. Het heeft geen naam, het is precies wat het is. Het is het meest concrete, ja het enige, wat je kan beleven en wat is. Op het moment dat ik bang ben voor de angst die opkomt en ik uit angst voor de angst me verzet en iets anders in stelling breng, treedt er een verharde verhouding op tussen mezelf die geen angst wil ervaren en de angst die als een solide bolwerk tegenover me staat. Dat betekent strijd. Er is geen oplossing denkbaar. Maar wat als ik stap voor stap de angst toelaat, aanneem, heel fysiek. Dan BEN ik angst. Aanwezigheid is dan angst. Er is niet meer zoiets als een persoon. Er is puur wat er is, een energie. Als je werkelijk daarin aanwezigheid bent, is er niet zoiets als angst als een object, er is in feite helemaal geen angst, er is precies wat er is. Hetzelfde geldt voor verdriet. Als pijn bezit van ons neemt, gaan we in verzet en neemt de pijn alleen maar toe. Terwijl als je aanwezigheid blijft, de pijn transformeert. Terug naar de tekst:

Omdat een boeddha in geboorte en dood is, is er geen geboorte en dood.

Wat betekent dit concreet? Als je aanwezigheid bent in dood, dan is er geen dood. Er is alleen: urghhhr. Het allesomvattende stervensmoment, de volle ervaring van dood. Wat is geboorte? Wehhh, wehhh. Huilen. De ervaring van geboorte, niets meer en niets minder. Die energie, die heel intieme directe ervaring, bevat geen enkel concept. Geen geboorte, geen dood. Pure manifestatie van jouw aanwezigheid. En datzelfde zien we in:

Omdat een boeddha niet in geboorte en dood is, is een boeddha niet begoocheld door geboorte en dood.

Als je dat bént, maken ze je niets meer wijs. Je hebt zelf geen idee wat het is, maar je bent in ieder geval niet begoocheld.

Een nieuwe Zen Cirkel onder leiding van Maurice Genko Knegtel Roshi start op maandagavond 24 september, 19.30 uur, in het Graalhuis in Utrecht. Informatie en opgave, klik hier.

Dogens Shoji, ‘Geboorte en dood’. Inleiding

Geplaatst door op 10:01 in Blog | 0 reacties

Eerste deel van een teisho uitgesproken door Maurice Genko Knegtel Roshi, tijdens de stille zen zondag op 17 december 2017, als afscheid van Lazuli te Utrecht, dat tien jaar lang onderdak bood aan de Zen Cirkel Utrecht. De transcriptie is gemaakt door Eerwaarde Ben Claessens.

Afscheid nemen, bevat het bijzondere van een naderend moment, waarvan je weet dat het komt en waarop iets definitief stopt. In de aanloop naar een naderend afscheid, krijgt alles een aparte glans, een unieke waarde. Een diep besef van het gegeven dat dingen ophouden. Boeddhisme kent niet echt een woord voor vergankelijkheid. Het Sanskrietwoord is anitya – geen duur. Dat is iets anders dan dat iets vergaat. Geen duur, het is onbepaald, tijdelijkheid in de meest concrete vorm. Het is er en zo is het er niet. Geen komen, geen gaan. We zijn ondergedompeld in een oceaan waarin iets verschijnt en weer verdwijnt en dat eindeloos zo door. We weten niet waar het vandaan komt en waar het heen gaat, we kunnen nergens de vinger opleggen, we kunnen niets vast houden.

Daar wijdt Dogen over uit in Uji, tijd-zijn. De afgelopen maanden hebben we in de Zen Cirkel Utrecht deze tekst van Dogen besproken. Een monumentale en lastige tekst. Ongrijpbaar. De tekst laat zich pas ontsluiten als je het terugbrengt naar de ervaring van anitya, geen duur. De ervaring van hier en nu, fysiek aanwezig zijn. Uji stelt tegelijkertijd dat er helemaal niets weggaat. Deze plek blijft bij ons. Net zo goed als de personen van wie we afscheid nemen of die ons ontvallen, in zeker zin helemaal niet weg zijn. Op het moment dat je gaat zitten en je fysiek aanwezig bent, kan het zijn dat deze of gene persoon van wie je afscheid hebt genomen in jezelf verschijnt. Niet in de vorm dat je hem of haar een hand kan geven, maar wel in de vorm van een zeer intieme en levendige nabijheid. Als Uji iets duidelijk wil maken, dan is het dat datgene wat we fysiek zijn, vooraf gaat aan het onderscheid dat we maken over wat wel of niet reëel is. Het gaat vooraf aan wat waar is en wat niet waar is. Er is niet iets dat verloren gaat en er is ook niet iets dat behouden blijft.

De tekst Shoji, geboorte en dood, wordt in de meeste wetenschappelijke tekstverzamelingen van Dogens werk in de tijd vóór Uji geplaatst. Dogen werd in 1200 geboren, hij ging naar China in 1223, verkreeg in 1225 zijn ontwaken en keerde in 1227 terug naar Japan. Hij is de eerste die een Chinese ch’an-lijn op Japans grondgebied overdraagt. Hij schreef in de periode daarna de richtlijnen van zazen,de Fukan zazengi. In 1233 schreef hij de Genjo koan, een van de mijlpalen in het Japanse boeddhisme, over het uitdrukken van je eigen natuur, een monumentaal werk met beroemde zinnen als

‘De Boeddha dharma bestuderen is jezelf bestuderen

Jezelf bestuderen is jezelf vergeten

Jezelf vergeten is ontwaken in alles wat zich voordoet

Ontwaken in alles wat zich voordoet is het wegvallen van jouw

lichaam en geest en dat van alle anderen

Het wegvallen van jouw lichaam en geest en dat van alle anderen,

laat geen spoor achter in dit spoorloze bestaan. ’

In 1240 schrijft hij Uji, een nieuwe mijlpaal. Al zijn teksten zijn van een datum en locatie voorzien en eventueel ook voor wie de tekst geschreven is. Maar Shoji is ongedateerd. Deze tekst was tot aan 1690 niet eens bekend. Hij behoorde met 27 andere teksten tot de geheime Shobogenzo. De Shobogenzo, ‘de schatkamer van het ware Dharma-oog’, is het levenswerk van Dogen. Hij begon er in 1227 mee en schreef eraan tot aan zijn dood. Het bevat 96 hoofdstukken. Shoji behoort tot een andere Shobogenzo die men bij toeval vond, in een geheime schatkamer van Eihiji, tijdens een renovatie. In die bibliotheek lagen 28 teksten die niet in de oorspronkelijke Shobogenzo waren opgenomen.

Shoji bevat de taal van Dogen, heel precies, geen woord teveel of te weinig. De tekst is niet zo maar toegankelijk, het is geen vrijetijdsliteratuur. Je moet er voor en mee gaan zitten. Als student filosofie maakte ik kennis met Dogen. Ik vond het vreemde teksten met veel tegenstrijdigheden. Ik dacht vaak: maak nou eens je punt! Kom tot een conclusie! Waar heb je het eigenlijk over? Je zoekt in zijn teksten naar een ingang maar je komt binnen. In Amerika, in Bar Harbor, bij mijn leraar Genpo Roshi, las ik Dogen als meditatie. Ik nam in de vroege ochtend een zin mee in de meditatie en ging erop ‘zitten’. In een volgend dagdeel nam ik een volgende zin. En zo heb ik in twee periodes van 90 dagen die tekst tot me genomen, erop gekauwd, hem verteerd en langzaam maar zeker daagde er iets. Ze noemden me daar ‘De jongen die Dogen leest om te relaxen’. Maar het was voor mij de enige manier om toegang tot de tekst te krijgen.

Een nieuwe Zen Cirkel onder leiding van Maurice Genko Knegtel Roshi start op maandagavond 24 september, 19.30 uur, in het Graalhuis in Utrecht. Informatie en opgave via deze link.

 

Boeddha’s basics 9: juiste inspanning, aandacht en aanwezigheid

Geplaatst door op 08:24 in Blog | 0 reacties

De laatste drie oefeningen van het achtvoudige pad zijn tezamen te beoefenen in de formele, geritualiseerde zitmeditatie (zie hieronder) en elk individueel, op de plek waar je bent, in de dingen die je doet.

‘Juiste inspanning’ (samyagvyayana)

Een van de oorzaken van duhkha, het aanlopen van de as van het wiel van mijn leven, is het energetisch vastzetten van mijn energie in een object van weerstand of verlangen. De beoefening van ‘juiste inspanning’ is het energetisch afstemmen op de energie die me draagt in een situatie. Hiertoe zal ik mijn verkramping rond het object van mijn weerstand of verlangen moeten loslaten, minder doen, minder inspanning leveren, om vervolgens af te stemmen op het resoneren met de energie in de situatie. Dit afstemmen is te vergelijken met het stemmen van de snaren van een sitar, zoals de historische Boeddha eens heeft gezegd. Eerst stem je de snaar te strak, je doet te veel. Dan stem je hem losser, je doet te weinig en dan klinkt de snaar ook niet. Vervolgens blijf je stemmen, totdat de snaar precies resoneert met de andere snaren van de sitar. Uiteindelijk betekent de juiste inspanning geen inspanning, maar een gedragen worden door de energieën binnen een situatie, precies zoals de Chinese wijze Lau-tse dit verwoordde in het achtenveertigste hoofdstuk van zijn befaamde Tau Te Tsjing:

‘Wie studie beoefent, wordt dagelijks meer. Wie de Weg beoefent, wordt dagelijks minder. Van minder wordt het minder, tot het komt tot daadloosheid (wu-wei). Door daadloosheid is er niets dat niet wordt gedaan.’ Ik word gehandeld…

‘Juiste aandacht’ (samyaksmrti)

Een andere manier om de vastgezette energie op een object van weerstand of verlangen los te laten en terug te keren tot mezelf, tot mijn integrale existentie, fysiek en mentaal, is om mijn aandacht te richten op bijvoorbeeld mijn ademhaling en deze aandachtig te volgen, adem in, adem uit… Er wordt gezegd dat dit de meditatieoefening van de Boeddha was, toen hij met gekruiste benen zeven dagen lang onder een oude ficusboom te Bodh Gaya zat, voor zijn ontwaken. We kunnen deze oefening in juiste aandacht vanzelfsprekend ook in elke andere activiteit dan het zitten in meditatie verrichten. We kunnen wandelen in aandacht, de ene voet aandachtig voor de andere plaatsend, zoals de Vietnamese zen leraar Tich Nhat Hanh dit onderwees. We kunnen aandacht hebben voor de dagelijkse handelingen die we verrichten, het met aandacht thee of koffie drinken, de beker aandachtig naar mijn mond brengend, met aandacht proeven en slikken, de beker weer aandachtig terugzetten op de tafel, et cetera. Moeilijker is het om aandachtig de emotie te volgen die opkomt in de situatie waarin ik me bevind, van het oprijzen, naar het tot volle wasdom komen en weer verdampen. Of het met aandacht volgen van een gedachte die oprijst, zich ontvouwt en weer verdwijnt. Het zijn allemaal oefeningen in ‘mindfullness’ die we op de plek waar we ons bevinden, in de handeling die we daar verrichten, in praktijk kunnen brengen. Deze oefeningen in mindfullness gaan terug op de aloude vipassyana meditatie die door de historische Boeddha aan zijn leerlingen is onderwezen:

‘Een ijverige monnik die de dingen helder begrijpt en oplettend is, leeft terwijl hij de handelingen van zijn lichaam waarneemt, en de hebzucht en afkeer ten aanzien van de wereld van het lichaam overwonnen heeft; terwijl hij zijn gevoelens waarneemt, en de hebzucht en afkeer ten aanzien van de wereld van de gevoelens overwonnen heeft; terwijl hij de activiteiten van zijn geest waarneemt, en de hebzucht en afkeer ten aanzien van de wereld van zijn geest overwonnen heeft; terwijl hij de mentale objecten waarneemt, en de hebzucht en afkeer ten aanzien van de wereld van mentale objecten heeft overwonnen.’ Sattipatthana-sutta, Majjhima Nikaya 10. ‘Overwonnen hebben’ is in concreto energetisch losgelaten hebben.

‘Juiste aanwezigheid’ (samyaksamadhi)

‘Zorg ervoor dat je kleding los en netjes zit. Plaats je rechterhand op je linkervoet en je linkerhand op je rechterhand terwijl je duimtoppen elkaar zachtjes raken. Plaats je handen in deze positie voor je lichaam zodat beide duimtoppen zich ter hoogte van je navel bevinden. Strek je lichaam en zit rechtop. Leun niet naar links of rechts, nijg niet naar voren of naar achteren. Je oren moeten op een lijn liggen met je schouders en je neus op een lijn met je navel. Laat je tong tegen je gehemelte rusten en adem door je neus. Je mond moet gesloten zijn met je tanden zachtjes tegen elkaar. Je ogen moeten geopend zijn, niet te wijd maar ook niet te nauw. Nadat je lichaam en geest op deze wijze in orde hebt gebracht, adem je in en weer helemaal uit.

Zit stevig in intimiteit en denk niet-denkende. Hoe je niet-denkende denkt? Zonder te denken. Dit is de kunst van zitten in zen. Zitten in zen is niet leren te concentreren. Het is de werkelijkheidspoort van groot gemak en vreugde. Het is het onbezoedelde beoefenen-ontwaken. ‘ Fukanzazengi, Dogen Zenji

Het bovenstaande citaat betreft de formele beoefening van geritualiseerde zit meditatie, zazen of shikantaza, ‘alleen maar zitten’. Het is de moeilijkste vorm van meditatie, juist omdat er helemaal niets is om te doen en niets is waarop ik me kan richten. Er is enkel het zittende lichaam waarnaar ik kan terugkeren, als ik mijn vastgezette energie op het object van mijn verzet of verlangen heb losgelaten. Tegelijkertijd is het ook de gemakkelijkste en meest directe meditatieoefening: alleen maar zitten en zijn, zonder meer, zonder minder. Ik word gezeten, in mijn lichaam borrelen spontaan gedachten op zonder dat ik denk en ik weet me gedragen door de energieën in de situatie. Hier ben ik terug bij mezelf, bij sukha, het moeiteloos en vreugdevol stromen van mijn zijn. Hier vind ik nirvana, de onverstoorbare vrijheid van geest, waarin niets wordt uitgesloten.

Om zo naar mezelf terug te gaan, naar mijn aanwezigheid in de situatie en de situatie in mij, zal ik echt in mijn lijf moeten zijn, zowel tijdens de formele meditatie als in mijn dagelijkse activiteit. Ik zal moeten leven vanuit mijn buik, ademend naar mijn onderbuik toe, gedragen door mijn hara, tien centimeter onder mijn navel. Ik zal mijn ledematen moeten voelen, staande op mijn voeten, zittend op mijn zitbeentjes, grijpend met mijn handen, tastend met mijn vingers. Wat ik hoor, wat ik zie, wat ik voel, wat ik proef, brengt me terug naar mezelf, naar mijn integrale existentie, mijn incarnatie, waar het Ongeborene mijn individuele bestaan met schittering en vreugde vervult. Dit lijf is mijn toevlucht, maar dit lijf is niet van mij. Het is een instrument in de handen van alle krachten en condities van de situatie waarin ik me thans bevindt, om daarin precies datgene te doen dat klopt.

Boeddha’s basics 8: juiste gedrag en juiste levenswijze

Geplaatst door op 07:48 in Blog | 0 reacties

‘Alles wat hem over zen werd gevraagd beantwoordde meester Gutei

eenvoudig met het opsteken van een vinger. Eens vroeg een bezoeker

aan Gutei’s jonge bediende: ‘Waaruit bestaat de leer van je meester?’

Toen stak de knaap eveneens een vinger op. Toen Gutei dit hoorde,

sneed hij de jongen met een mes zijn vinger af. Huilend van pijn liep de

jongen weg. Gutei riep hem na. Toen de jongen zijn hoofd omdraaide,

stak Gutei een vinger op. Toen werd de jongen plotseling verlicht.

Toen Gutei op sterven lag zei hij tot de verzamelde monniken:

‘Deze één-vinger-zen heeft Tenryu aan mij doorgegeven. Ik heb hem

mijn hele leven gebruikt maar niet alles eruit gehaald wat erin zit.’ Na

deze woorden trad hij het nirvana binnen.’

Mumonkan, ‘De Poortloze Poort’, casus nr. 3.

Door middel van mijn spreken en handelen drukt het Ongeborene zich uit in de wereld. En het doet dit in elke handeling, hoe onbeduidend ook en op mijn hoogst individuele wijze. In mijn spreken en handelen komen het onpersoonlijke absolute (het Ongeborene) en het persoonlijke relatieve (mijn eigenheid) samen. In feite spreekt en handelt het Ongeborene altijd door me heen, ook als ik denk dat ‘ik’ dat ben. Als ik sterk bevangen ben door de gedachte dat ik het doe, beperkt dat evenwel het vrije functioneren van het Ongeborene. Dan stroomt mijn energie niet meer vrijelijk en ben ik geboeid door de gedachten aan ik, mij, mijn. Dan is er duhkha, het wringt, wrijft, knelt in mijn kern, de as van het wiel van mijn leven loopt aan, het stokt. Eigenlijk kan ik de dingen alleen op mijn botte wilskracht doen, ze ontstaan niet organisch vanuit de situatie waarin ik me bevind, noch zijn ze daarop afgestemd.

Dus, ofschoon het Ongeborene altijd door me heen werkt in mijn spreken en handelen, kan ik in mijn spreken en handelen stokken of stromen ervaren. Wanneer mijn handelen bedacht, berekenend of gekunsteld is, zoals in de bovenstaande koan, werkt het Ongeborene zonder twijfel door me heen, maar beperkt, gemankeerd. De oefening in het juiste handelen nodigt me uit om telkens weer terug te gaan naar mezelf, mijn lichaam en de situatie waarin het zich bevindt en contact te maken met wat zich in mijn handelen tot uitdrukking brengt. Daar werkt de Eeuwige in de eindige wereld.

Het ‘juiste gedrag’ betekent niet moreel ‘goed handelen’, het is geen ethisch imperatief. Vergelijk de bovenstaande koan, het afsnijden van een vinger is ethisch niet goed te noemen. Maar het gedrag is afgestemd op de situatie, het rijst op in intimiteit met de situatie en betreft wat in de situatie ondersteunend en ‘juist’ is om te doen, in dit geval om de leerling zijn leven terug te geven

.Bij de beoefening van de juiste levenswijze moet ik blijven checken, of wat ik doe en met wie ik ben nog klopt, of ze een adequate uitdrukking zijn van wie ik ben. Bij tijd en wijle stel ik mezelf de vraag: klopt het wel dat ik dit heb te doen, dat ik met deze mensen samen ben, op deze plek, in deze fase van mijn leven? Ik kan nooit zelfverzekerd achterover leunen en ervan uitgaan dat ik er ben. Ik ben er, altijd, en arriveer voortdurend op een plek en met een werkzaamheid die nooit vastligt, maar zich onophoudelijk ontvouwt vanuit mijn werkzame handen.

Hoe weet ik dat het klopt wat ik doe? Ik weet het, zoals ik weet of het koud of warm is en zoals ik weet of de soep te zout of te flauw is. Dit weten is een intiem, ongedeeld en onmiddellijk weten, ze is een expressie van mijn essentie op dat moment.