Humor in zen. Het is erger dan je denkt

Geplaatst door op 10:29 in Blog | 0 reacties

Teisho uitgesproken door Maurice Genko Knegtel Roshi voor de Zen Cirkel Lelystad op 2 november 2019. Deel 3.

Een van de allerbeste zen grappen die ik ken, komt uit het boekje van Jan Willem van de Wetering, de Lege Spiegel. Van de Wetering was een van de eerste die over zen schreef. Hij is in de jaren ’50 een succesvol zakenman met een fijn gezin en een mooi huis. Maar in een jaar tijd verliest hij alles. Hij blijft achter met schulden en levensvragen. Hij hoort van zen en reist naar Japan. Hij trekt langs kloosters maar nergens spreken ze Engels. Totdat hij belandt in een kleine tempel nabij Kyoto. Daar kan hij terecht bij Harada Roshi. Hij komt bij de leraar op dokusan, de formele individuele begeleiding en doet in een half uur uitgebreid zijn beklag over zijn trieste lot. Roshi luistert geduldig en vervolgens valt er een pijnlijke stilte. Minuten lang. Van de Wetering vraagt zich af of deze Japanse Roshi wel een woord heeft verstaan van wat hij in het Engels zojuist heeft gezegd. Dan zegt Harada Roshi plotsklaps: ‘Weet je, het is veel erger dan je denkt!’

Dit briljante, bevrijdende antwoord heeft Van de Wetering ertoe gebracht een tijd bij Harada Roshi te blijven. Trungpa noemt dit ‘een genadeloze compassie’. En wat een humor ook.

Een ander mooi voorbeeld en dit is een klassieker. Het komt uit een teisho van meester Kyogen. “Ons leven is als een mens die in een boom hangt. De voeten vinden nergens steun. De handen kunnen niets vastgrijpen. Maar met de kaken heeft deze mens zich stevig vastgebeten en daar hangt hij dan. Hij kan geen kant meer op. Onder de boom staat een zenleraar en die roept: ‘He jij daar! Kan jij me nu eindelijk eens zeggen waar het in jouw leven nu echt over gaat?’”

Het is een treffend zinnebeeld van onszelf. We vinden nergens steun, we hebben geen grond om op te staan, we kunnen niets vastgrijpen, want alles glipt tussen onze vingers door. Maar onze de kaken hebben we ons stevig vastgegrepen in een tak. Die tak, waarvoor staat ie? Voor onze geloofssystemen, onze concepten, neigingen, oordelen, patronen, overtuigingen, enzovoort. Het is de illusie dat we het leven op deze wijze kunnen vasthouden.

Herken je het beeld? Dan is er nog die zenleraar die de prangende vraag stelt. Wat staat de figuur die daar met zijn kaken vastgebeten aan de tak hangt te doen? Het geniale in dit beeld is dat, wil je die vraag kunnen beantwoorden, je vrij van al je vooronderstellingen een antwoord moet geven. Je zult alles waaraan je je vasthoudt moeten loslaten, al je voorwaarden, je overtuigingen, je concepten. Dit is niet wat uit het eigen aan den lijve ervaren voortkomt. Je zult moeten vallen en zo voelt het ook als we onze mentale handvaten loslaten. Dit beeld is een haarscherpe spiegel voor onszelf, vol humor en vol tragiek, het toont de ultieme condition humaine. Zo zitten we allemaal te rommelen. Dit gaat over jou, dit gaat over mij.

Er is nog een derde voorbeeld, van de grote Ch’an meester Mazu, een van de geniale zen geesten uit de 7e eeuw na Chr. Het verhaal gaat als volgt. Mazu zit op een warme zomerdag met de benen uitgestrekt te ontspannen op een dijkje tussen de rijstvelden. Over dat smalle dijkje komt leken-leerling Feng hijgend aangelopen met een kruiwagen vol houtblokken, op weg naar het klooster. Feng ziet in de verte zijn leraar zitten en dichterbij gekomen, vraagt hij: ‘Zou de eerwaarde meester zijn benen willen intrekken?’
Waarop Mazu zegt: ‘Wat eenmaal is uitgestoken, wordt niet meer ingetrokken.’
Feng zegt dan: ’Wat eenmaal in beweging is gezet, wordt niet meer tot stilstand gebracht.’
En hij rijdt pardoes over de benen zijn leraar. Mazu kreunt van de pijn: ’Au, au!’ Feng rijdt door. De volgende dag komt Mazu in de dharmahal, strompelend en met een bijl in zijn hand. Hij neemt plaats op de verhoogde leraarszetel en zegt: ‘Zou degene die de benen van deze arme monnik heeft verwond, naar voren willen komen?’
Uit het gevolg van monniken komt Feng naar voren en loopt naar Mazu. ‘Hier ben ik’, zegt hij. Mazu zegt: ‘Leg je hoofd maar op dit houtblok’. En Feng doet dat. Mazu heft de bijl, houdt die boven het hoofd van Feng en loopt vervolgens weg, de dharmahal uit.

Hilarisch, prikkelend, schurend. Waar verwijst dit verhaal naar? Om te beginnen is er de dialoog in het eerste deel. Zo’n uitspraak als ‘Wat eenmaal is uitgestrekt, wordt niet meer ingetrokken’, waar gaat dat over? Dit gaat over karma en onze diep ingesleten patronen waaraan we op onze levensweg, dat smalle sawadijkje tussen de rijstvelden waarop ieder van ons zich beweegt, niet kunnen ontsnappen. Wat in dit verhaal zo schuurt, is de herkenning: we zijn allemaal Feng en we rijden allemaal over de benen van ander heen. We volgen onze diep ingesleten sporen en rijden, al dan niet daarvan bewust, over de benen van anderen heen.

De gebeurtenis in het verhaal schuurt omdat het ons iets wezenlijks over onszelf toont. Dat is waarom we dit een upaya noemen, een pedagogisch middel. Karma gaat niet over schuld, maar over oorzaak en gevolg, waarbij we ons karma uitleven, ook ten koste van de ander, zoals Feng dat doet.

In het tweede deel van het verhaal gaat het om: sta je voor je eigen leven, neem je je verantwoordelijkheid? Het proces van aannemen, het buigen voor jouw patronen, leidt ertoe dat ik mijn leven ga leiden zoals het is. Dit is de enige concrete vrijheid die ik ken. Mezelf helemaal doorslikken en verteren, onvoorwaardelijk erkennen en belichamen: dit ben ik.

Er is nog een verhaal, van een monnik die na twintig jaar meditatie tot een groot inzicht ontwaakte en drie dagen lang zo hard moest lachen dat iedereen in zijn omgeving tijdelijk doof was. Wat is hier de grap? Je hebt twintig jaar lang je ziel en zaligheid gegeven, je bezittingen, je tijd, je energie, je hele hebben en houden en ineens valt het kwartje, en dan blijkt dat wat je met zoveel inzet hebt nagestreefd, al die tijd op het kussen heeft gezeten. Dat kan een grote grap zijn. Tegelijkertijd kan het ook heel pijnlijk zijn. Dat die hele spirituele weg, met die immense berg vol rituelen en symbolen, uitsluitend gaat om de bekrachtiging van jou als persoon, kan zeker leiden tot een totale verbijstering. Hoe kan ik dit gemist hebben?

Dit is het verhaal van de mens dat in tal van culturen en religies is bezongen. Neem het heldenepos Gilgamesj uit ca. 2100 v.Chr, een de oudste verhalen uit de geschiedenis van de mens, waarin Gilgamesh wordt geconfronteerd met existentiële vragen en met name met het besef van zijn sterfelijkheid. Na een lange, lange zoektocht, vol gevaren, beproevingen en strijd, staat hij weer voor de muren van Uruk, de stad waarvandaan hij ooit vertrok. Zijn reis laat hem achter met twee lege handen. Maar als hij kijkt naar de muren van Uruk, dan ziet voor het eerst van zijn leven hoe fraai uitgevoerd het voegwerk is. Dat is alles. En dat is groots! En dat is óns verhaal.

Slot. Een nieuwe Zen Cirkel onder leiding van Maurice Genko Knegtel Roshi begint op maandagavond 9 maart 2020. Voor meer informatie en opgave, klik hier. Maurice Knegtels nieuwste boek ‘Het afdalen van de berg’ verschijnt in maart 2020 bij Uitgeverij Juwelenschip.

Humor in zen. Brandende Boeddha’s

Geplaatst door op 21:11 in Blog | 0 reacties

Teisho uitgesproken door Maurice Genko Knegtel Roshi voor de Zen Cirkel Lelystad op 2 november 2019. Deel 2.

Deze groteske figuren zetten de toon binnen Ch’an. Je krijgt in de bloeitijd van Ch’an, in Tangdynastie (7 en 8e eeuw na Christus), de anekdotes van meesters die met bizarre gebaren en woorden onderricht gaven. Een exemplarisch verhaal gaat over de leraar die in een barre winter het houten beeld van de Boeddha van het altaar haalt en in brand steekt. Een andere leraar komt net de zendo binnen, ziet het tafereel en brult ontstelt: ‘Wat doe je nou?’
De meester buigt zich over de as en begint met zijn staf te zoeken. Zijn collega vraagt: ‘Wat zoek je nu eigenlijk?’ De meester antwoordt: ‘Ik zoek de heilige relikwieën van dit beeld’.
Zoals in de de monstrans van de Christenen, vindt men in de beelden en stupa’s van Boeddhisten heilige relikwieën. In stupa’s doorheen heel Azië bevinden zich relikwieën van de historische Boeddha. De bezoekende leraar roept uit: ‘Maar die vind je toch niet in de verbrande resten van dit beeld!’
Waarop de meester zegt: ‘In dat geval kan ik ook wel die twee andere beelden gebruiken, het is zo koud!’ en zo gaan ook de andere beelden in vlammen op.

Het zijn veel geciteerde verhalen met humor en spot ten aanzien van de eigen traditie. Er zit ook een mate van blasfemie in, wat eigenlijk niet kan. Dat rebelse in Ch’an sprak de jongere generatie in de jaren ’60 van de vorige eeuw in Amerika, de ‘beat generation’, enorm aan. Boeddhabeelden verbranden, dat voelde pas bevrijdend!

In een syllabus die ik in 1994 voor het Zen Centrum Amsterdam schreef rond het thema Upaya, ‘behendige middelen’, heb ik enkele dialogen uit die bloeitijd van Ch’an in China verzameld. Een ervan gaat als volgt:
Meester Yün-men sprak tot zijn studenten: ‘In zen is er absolute vrijheid. Soms negeert of ontkent het, soms affirmeert of bevestigt het’. Een monnik vroeg daarop aan Yün-men: ‘Maar hoe negeert het dan?’ Yün-men zei: ‘Met het voorbij gaan van de winter, komt de lente.’
Waarop de monnik vroeg: ‘Wat gebeurt er als de lente komt?’
Yün-men antwoordt: ‘Een stok dragend over de schouders, laat hem zwerven over de velden.’
Dit is een antwoord dat niemand verwacht. Het zet je op het verkeerde been. Of liever, het andere been: het werkt bevrijdend. Een andere anekdote.

Meester Fa-yen vroeg een leerling: ‘Wat versta je hieronder? Laat het verschil slechts een tiende van een millimeter zijn en het groeit zo wijd als hemel en aarde.’
De leerling dacht slim te zijn en herhaalde de vraag: ‘ Wat versta je hieronder: laat het verschil slechts een tiende van een minimeter zijn en het groeit zo wijd als hemel en aarde.’
Fa-yen was niet onder de indruk en sprak: ’Dit antwoord is ontoereikend’.
De leerling erkende dat hij geen ander antwoord wist en vroeg: ‘Maar wat versta jij hier dan onder?’
Fayen zegt: ‘Laat het verschil slechts een tiende van een minimeter zijn en het groeit zo wijd als hemel en aarde.’
Nog een. Een leerling vroeg aan meester Pao-fu: ‘Wat is de bron van het ongeschapene?’
Pao-fu zweeg enige tijd en zei toen: ‘Wat vroeg de monnik ook al weer?’
De in verwarring gebrachte monnik herhaalde zijn vraag en de meester schreeuwde: ‘Ik ben niet doof!’
De leraar laat de leerling in een fuik lopen, de fuik sluit en dan kan het zijn er iets zichtbaar wordt. Of niet.

Meester Ling-yün werd gevraagd hoe de dingen waren voor het verschijnen van de Boeddha in de wereld. Hij hief zijn stok. Toen hij vervolgens werd gevraagd hoe de dingen na het verschijnen van de Boeddha in de wereld waren, hief hij andermaal zijn stok.

Fa-yen had als leraar een leerling genaamd Hsüan-tse, die hoofdambtenaar was van het klooster. Hij bezocht zijn meester nooit en op een dag bezocht Fa-yen hem en vroeg Hsüan-tse: ’Waarom ben jij nou nooit op gesprek gekomen?’ Hsüan-tse antwoordt daarop: ‘Toen ik studeerde onder mijn vorige leraar, meester Ch’ing-feng, kreeg ik een inzicht in de waarheid van zen.’
‘O’, zei Fa-yen, ‘wat zag je dan?’
Hsüan-tse sprak: “Toen ik de meester vroeg wat de Boeddha was, zei hij: ‘De vuurgod komt vuur halen.’”
‘Mooi antwoord’, zei Fa-yen. ‘Maar misschien zie je het verkeerd. Hoe zou jij het uitleggen?’
Hsüan-tse zei: ‘Als de vuurgod zelf vuur komt halen, is hij net als ik die, een Boeddha van het begin af aan, wil weten wie de Boeddha is. Geen vraag is dan nodig, want ik bén de Boeddha al.’
‘Juist’, concludeerde de meester. ‘Precies wat ik dacht. Je zit er compleet naast.’
Hevig beledigd verliet Hsüan-tse het klooster. Maar na een tijd kwam hij toch terug en vroeg zijn leraar voor het eerst om onderricht. Hij was nu niet meer zo zeker van zijn zaak. Fa-yen zei: ‘Jij vraagt, ik antwoord.’
Hsüan-tse vroeg: ’Wat is de Boeddha?’ En Fa-yen antwoordde: ‘De vuurgod komt vuur halen.’ Pas nu zag Hsüan-tse waar het om ging.

Het gaat hier om humorvolle woorden en handelingen die openend kunnen werken en de traditie zelf wordt er soms bij op de hak genomen. Maar er zijn ook verhalen waarin de hofnar om de hoek komt kijken, waarbij leerlingen en daarmee ook de lezer, op een genadeloze manier een spiegel wordt voorgehouden. Ik noem hiervan drie voorbeelden.

Wordt vervolgd. Een nieuwe Zen Cirkel onder leiding van Maurice Genko Knegtel Roshi begint op maandagavond 9 maart 2020. Voor meer informatie en opgave, klik hier. Maurice Knegtels nieuwste boek ‘Het afdalen van de berg’ verschijnt in maart 2020 bij Uitgeverij Juwelenschip.

Humor in zen. Een barbaar in China

Geplaatst door op 09:19 in Blog | 0 reacties

Teisho uitgesproken door Maurice Genko Knegtel Roshi voor de Zen Cirkel Lelystad op 2 november 2019. Deel 1.

Wanneer we spreken over humor in zen, hebben we het in eerste instantie over humor als upaya, een behendig middel dat wordt ingezet om mensen iets te laten realiseren. Maar feitelijk wordt alles in zen en boeddhisme gebruikt als upaya. Zitten in meditatie (zazen) bijvoorbeeld, is een manier om het lichaam stil te zetten en daarin iets te laten oplichten. De leraar zelf is een pedagogisch middel dat als een spiegel voor de leerling te fungeert. De teksten, zelfs alle sutra teksten, de heilige teksten, zijn pedagogische middelen. Een Boeddhabeeld is een pedagogisch middel, ook de hele hiërarchie binnen de traditie en de bloedlijn; je kunt zeggen dat het allemaal delen zijn van een groot vlot waarop je kunt varen om de zaak eens van andere oever te bekijken. De Boeddha zei: ‘Waar is wat werkt’. Zolang het iets doet wat bevrijding en realisatie bewerkstelligt, is het bruikbaar en waar. Als we praten over humor in zen kun je zeggen dat dit een bewust ingezet werktuig is.

Maar laten we eerst kijken naar deze vraag: wat doet humor met ons als mens?
Cursist: het werkt bevrijdend. Bijvoorbeeld wanneer je in de penarie zit.
Roshi: Absoluut! Als je boeddhisme beschouwt als een oefening en een traditie die gaan over bevrijding, dan is humor een wezenlijk onderdeel daarvan. Wat nog meer?
Cursist: Het verbindt, het relativeert.
Roshi: Zeker. Je kunt zelfs zeggen, als je zelf niet enigszins onthecht bent van je werkgebied, dan ben je niet in staat om daarover grappen te maken. En ook de ontvanger kan daardoor onthecht raken. Nog iets?
Cursist: Het is een vorm van zelfspot. Het toont dat je jezelf niet al te serieus moet nemen.
Roshi: Het houdt ons een spiegel voor, hetgeen een heel belangrijke functie is van humor. Het laat je iets zien wat je misschien niet wilt zien. Maar het kan op zo’n manier aan je worden gepresenteerd dat je er om kunt lachen, misschien als een boer met kiespijn. Het is de humor van de hofnar, de enige die in de middeleeuwen zonder consequenties de waarheid kon zeggen aan de machthebbers. Wat humor toont, kan heel pijnlijk zijn.

Als je kijkt naar de werkzaamheid van humor naar de ontvanger toe, dan kent humor een functioneren op drie verschillende niveaus: mentaal, energetisch en existentieel. Mentaal doordat het openend en onthechtend werkt, het komt immers van een plek van onthechting. Het werkt relativerend, het maakt je los van een preoccupatie. Boeddhistisch gesproken werkt het in op de hardheid van patronen en concepten. Energetisch, het bevrijdt vastgezette energie, laat die energie opnieuw stromen, het werkt vitaliserend. En existentieel kan het je een pijnlijke spiegel voorhouden: zo is het.

Als je in de breedte kijkt, vinden we niet zo veel humorvolle tradities in de wereldreligies. In de mystieke traditie van de Chassidim vinden we tal van voorbeelden waarin humor op een bevrijdende manier wordt gebruikt. De Soefi’s kennen dit ook. In het christendom zien we het minder. Een uitzondering vormen misschien de woestijnmonniken.
Cursist: Dat is droge humor!
Roshi: Het hindoeïsme kent enkele tradities die spaarzaam humor bevatten. Het Boeddhisme is niet echt een bron van humor. De Boeddha staat niet bekend als een man met veel humor. Indiase boeddhisten zoals Nagarjuni en Vasubandhu waren weliswaar goede psychologen, maar geen grappenmakers. Japanse zen is niet humoristisch, een enkele uitzondering daargelaten. Therevada Boeddhisme is vooral gericht op ethiek, niet op humor. Tibetanen zijn schaars met humor. De Dalai Lama lacht wel veel, maar een goede grap heb ik hem nog nooit horen vertellen. In de Chinese taoïstische traditie is Chuang-tzu een bron van verhalen met veel humor. Alle figuren die in zijn verhalen voorkomen zijn min of meer grotesk. Zijn humor heeft een grote invloed gehad op Ch’an, waarin we humor vinden als een pedagogisch middel.

Hoe gebruikt Ch’an die humor? Allereerst door het introduceren van figuren, ‘volgers van de Weg’, die veelal grotesk zijn. We komen er opvallend vaak situaties in tegen waarin een zenmeester of geleerde iemand ontmoet die hem de les leest, bij voorkeur in de persoon van een oud theevrouwtje. Er is een verhaal over zen meester Tokusan, als geleerde de autoriteit op het gebied van het Diamant Sutra. Op het toppunt van zijn roem reisde hij naar het Zuiden van China, waar Ch’an zich op nogal rebelse wijze ontwikkelde. Hij wilde daar zijn kennis laten gelden om de orde te herstellen. De man reisde naar het Zuiden en kwam langs een theekraampje. Hij bestelde thee en kreeg er cake bij. Het theevrouwtje zei: ‘Wacht u even met eten en drinken. U bent toch degene die gespecialiseerd is in het Diamant Sutra?’
Tokusan voelde zich gevleid en knikte. ‘Ik ben de autoriteit, inderdaad.’
Het theevrouwtje zei: ‘Als dat zo is, wil ik u een vraag stellen over iets wat in het soetra staat. Als u die vraag kunt beantwoorden, krijgt u de cake gratis.’
Tokusan zei: ‘Natuurlijk. Ik weet er alles van’.
Het theevrouwtje sprak: ‘Er staat ergens een regel in het Diamant Sutra: de geest van het verleden is ongrijpbaar, de geest van het heden is ongrijpbaar en de geest van de toekomst is ongrijpbaar. Die regel kent u wel.’
Tokusan knikte en het vrouwtje ging verder: ‘Dan wil ik u graag vragen: in welke geest gaat u nu deze cake eten?’
De geleerde Tokusan stond met zijn mond vol tanden. Hij had geen antwoord. Dit type personages komen in veel anekdotes van de eerste generaties zen meesters van Ch’an voor.

Een ander voorbeeld is de eerste Patriarch van zen in China, Bodhidharma. Hij kwam volgens de legende uit India aangelopen en bracht zen naar China. Ken je Bodhidharma? Een man met een grote baard, enorme oorbellen en rollende, uitpuilende ogen. Het verhaal gaat dat hij tijdens de meditatie niet in slaap wilde vallen. Daarom knipte hij zijn oogwimpers af. En zo wordt hij afgebeeld, zonder oogwimpers. Die oogwimpers zouden bovendien de zaden zijn geweest voor de eerste theeplantjes in China. Is dat niet hilarisch!

In het Noorden ontmoette Bodhidharma keizer Wu, een devoot boeddhist en stichter van zo’n 30.000 kloosters en tempels. De informatie over de groei van het boeddhisme in die tijd klopt historisch aardig. De eerste vraag van de keizer aan Bodhidharma is: ‘Wel Eerbiedwaardige, ik heb 30.000 kloosters en tempels gesticht. Wat is nu mijn verdienste’.
Bodhidharma antwoordde stoicijns: ‘Geen enkele verdienste.’
De keizer was ronduit ontsteld. Hij vroeg: ‘Maar waar gaat die leer, die Dharma, dan over?’
Bodhidharma antwoordde met de legendarische woorden: ‘Wijdse leegte, niets heiligs.’
De keizer was onthutst en vroeg: ‘Maar wie staat hier dan voor me?’
‘Ik weet het niet’, antwoordde Bodhidharma droog.

Bodhidharma werd daarop het keizerrijk uitgezet. Een raadgever van de keizer greep in en legde de keizer uit dat hij zojuist een groot boeddhist en vooraanstaand heilige het land uit had gestuurd. Keizer Wu bedacht zich alsnog en zond soldaten op pad om Bodhidharma terug te halen. En wat vonden ze uiteindelijk? Een sandaal! Deze werd overhandigd aan keizer Wu.

In het Zuiden aangekomen nam Bodhidharma zijn intrek in het Shaolin klooster, waar hij negen jaar voor een muur zat. Hij kreeg op een zeker moment gezelschap van Huike, een oud generaal, die zijn leerling wilde worden, maar Bodhidharma negeerde hem. De winter viel in en Huike wilde een daad stellen om zijn intentie te tonen aan de grote meester. Hij hakte een arm af en overhandigde deze aan Bodhidharma. Die daad overtuigde Bodhidharma van Huike’s inzet. Hij vroeg Huike: ‘Wat kan ik voor je doen?’
Huike vroeg in grote wanhoop: ‘Kunt u mijn geest tot rust brengen?’
Bodhidharma antwoordde: ‘Breng je geest maar hier.’
Huiko raakte in nu in hevige verwarring. Hij dacht: ‘Maar hoe dan?’ Hij vertrok, ging op zoek naar zijn geest en kwam een week later bij Bodhidharma terug. Hij moest erkennen: ‘Ik kan mijn geest nergens vinden.’
Waarop Bodhidharma zei: ‘Mooi, dan heb ik je geest tot rust gebracht.’

Huike wordt de opvolger van Bodhidharma en de tweede Chinese Patriarch. Bodhidharma vertrekt op een gegeven moment en gaat de grens van China naar India over. En wat ziet men als laatste van hem? Dat hij onderweg is met een sandaal op zijn hoofd! Daar zijn in zen meerdere anekdotes op gebaseerd. Een sandaal op het hoofd staat in China symbool voor het overlijden van een persoon.

Bodhidharma’s verhaal zet de toon voor een rij uitzonderlijke leraren binnen Ch’an, die groteske figuren waren en wonderlijke dingen deden. Een bekende figuur als Te-shan liep altijd met een stok door het klooster, greep de eerste de beste monnik bij diens pij, hief dan zijn stok en riep: ‘Als jij dit een stok noemt, krijg je dertig stokslagen, als je het geen stok noemt, krijg je ook dertig stokslagen. Hoe noem je het? Spreek, spreek!!’
En dit was zijn onderricht, zijn hele leven lang. Hier zijn ook meerdere ‘stokgrappen’ uit voortgekomen. Zoals die van zen meester Chao-chou, die zei: ‘Als iemand bij me komt met een stok, dan ontneem ik hem die en als iemand bij me komt zonder stok, dan geef ik hem er een.’

Wordt vervolgd. Een nieuwe Zen Cirkel onder leiding van Maurice Genko Knegtel Roshi begint op maandagavond 9 maart 2020. Voor meer informatie en opgave, klik hier. Maurice Knegtels nieuwste boek ‘Het afdalen van de berg’ verschijnt in maart 2020 bij Uitgeverij Juwelenschip.

De vleesjas en de camerawacht

Geplaatst door op 08:43 in Blog | 0 reacties

Teisho’s uitgesproken door Maurice Genko Knegtel Roshi tijdens de Izen intensive 2019 in Eerbeek. Deel 7 (slot).

Maar dat is niet het enige dat we ons herinneren. We herinneren ons ook iets anders, namelijk dat die peilloze, oneindige aanwezigheid zich bevindt in een min of meer strakke vleesjas, strak in de zin dat die aanwezigheid is beperkt tot bepaalde afmetingen. Die aanwezigheid is niet te scheiden van deze vleesjas, die benen, voeten, armen en handen heeft. Die jas heeft andere eigenaardige eigenschappen, namelijk het vermogen visuele beelden te laten verschijnen, auditieve ervaringen te laten weerklinken, om koude en warmte te voelen, om de soep in de keuken te ruiken en te proeven en nog veel meer vermogens. De jas werpt vensters open op de wereld in bepaalde emoties, woede opent een venster naar de wereld, net als angst, verdriet, vreugde. Al naar gelang de situatie, of niet. Je kunt zeggen: we kunnen ons herinneren dat het eindeloze Licht dat we op het kussen ervaren tegelijkertijd in een vleesjas is verstopt, een vleesjas met wonderbaarlijke vermogens, waardoor die aanwezigheid zichzelf in talloze kwaliteiten tot uitdrukking brengt. Wat zie ik? Wat hoor ik? Wat ruik ik?

Die vleesjas heeft het vermogen zaken te overdenken en door de geest te laten trekken, hij heeft verbeeldingskracht. En die vleesjas heeft specifieke eigenschappen omdat hij mede is geweven uit diepe, diepe patronen van handelen. Patronen als taaie draden, diep ingesleten sporen die veel verder teruggaan dan de tijd waarin die vleesjas zelf is gemaakt. Ze gaan terug naar de makers, vader en moeder en diens vader en moeder enzovoort. Ze komen allemaal in deze vleesjas samen, als in een netwerk. Die vleesjas is precies wat hij is, bij sommigen is ie wat klein, bij anderen wat groter en met een bepaalde kleur, maar hij is precies goed zoals hij is. Die aanwezigheid zit in niets anders dan juist deze vleesjas. Daar is niets mis mee. Soms kraakt ie of piept ie, maar er is niets mis mee.

Er is iets dat grenzeloos en peilloos is, licht, in rust en niet stuk te krijgen. Aan de andere kant herinneren we ons deze krappe verpakking. Hoe noemen we deze paradox in het boeddhisme? De bodhisattva. Aanwezigheid, grenzeloos, grondeloos, Licht: Bodhi. Sattva is de vleesjas met een netwerk van patronen en sporen. Een levende paradox. Als je niets uit deze dagen hebt gehaald, neem dan dit mee naar huis: Ik ben een paradoxaal dubbelwezen en het functioneert ook nog allemaal. Maar er is nog iets, iets heel eigenaardigs. Uit die vleesjas steekt een hand met een mobiele telefoon en deze neemt voortdurend selfies. Wij als bodhisattva richten het mobiel op onszelf, de vleesjas en de daarin verpakte aanwezigheid. En er is meer. Er zit ook nog iets in m’n oor, een oortje, een apparaatje met een draadje. Het draadje gaat naar een camerawacht die huist in dit lichaam. Heeft iemand die wacht ooit gezien? Nee. En toch praat ie voortdurend in dat oortje. Die stem praat veel en fluistert ons voortdurend in wat we te doen hebben, niet zelden heel dwingend. Die stem geeft geregeld waardevolle tips en adviezen, maar hij zegt ook dingen die we vaak niet willen horen of weten. Het heeft volop oordelen over van alles en nog wat. Hij weerhoudt ons om stappen te ondernemen en wekt onzekerheid, of hij zet ons juist aan tot handelen en wekt overmoed. Het is deze stem die zich afvraagt, wat we hier in deze zendo op dit kussen deze dagen zitten te doen. Waarom we met aandacht een zendo binnenkomen en bepaalde regels in acht houden. Waarom we niet gewoon de zaal kunnen binnenlopen en langs de kortste weg naar ons kussen gaan. Die camerawacht vindt dat gedoe. En waarom zitten we eigenlijk op een kussen? Wat levert het op? Moeten we niet aan het werk? Of thuis de kinderen opvoeden? Of hij wekt hooggespannen verwachtingen over deze dagen. Enzovoort, enzovoort.

Wellicht herinneren we ons op enig moment zoiets als een camerawacht en dat we in ons leven onszelf en de wereld vooral via de waarnemingen en oordelen van de camerawacht hebben bekeken, maar dat dit niet de werkelijkheid zelf is. Die camerawacht noemen we ‘ego’. We kunnen ons op het kussen herinneren dat we eigenlijk lange tijd, soms ons leven lang, in een beeldscherm hebben zitten kijken en naar die stem van de camerawacht hebben geluisterd. En dat we zelf zijn gaan geloven in zijn rare verhalen, naast het goede advies dat nu en dan wordt gegeven. Die stem doet teveel, hij heeft de overhand genomen. Wij zijn over-beveiligd!

Wat is nu een goed advies aan iemand die zich dit herinnert? Je kunt zeggen: keer geregeld terug naar je jas en realiseer je wat er in die jas gebeurt en wat daar aanwezig is, met andere woorden wat ruikt met de neus, hoort met de oren, voelt met de handen, loopt met de voeten, praat met de mond enzovoort. Zit regelmatig op het kussen om je de situatie te herinneren zoals ze is. Het is in feite heel simpel. Keer terug naar je adem, terug naar je vleesjas. We hoeven in feite niet veel meer te doen dan de zaak op het kussen neer te zetten, en alle aspecten van onze situatie lichten in de loop van de tijd op. Je kunt zelf bepalen even niet te kijken naar het camerabeeld van jezelf en het oortje het oortje laten. Waarbij we de camerawacht niet in de ban doen, dat is niet de bedoeling. Hij beschermt ons. Maar als je de stem weer hoort, kun je gewoon zeggen: ‘Nu even niet!’ Wie is degene die praat met de camerawacht? De meester, degene die de vleesjas bewoont, degene die deze woorden hoort, de ongeborene. Het herinneren van die camerawacht, dit ego, is een belangrijke realisatie. Die realisatie kan ons helpen het functioneren van deze beveiliger weer in het juiste perspectief te zien.

Een belangrijk vraagstuk is tenslotte hoe we de paradox die we zijn de wereld in te brengen, waarbij we dienen om te gaan met onze sterfelijke, beperkte jas en onze aanwezigheid, de Eeuwige, het onbeperkte. Waar we ook gaan of wat we ook doen, alles zit hier, in deze vleesjas, de manifestatie van de oneindige aanwezigheid. Zodra we die ervaring hebben, begint een taai proces, het voorleven van deze paradox die we zijn. We kunnen prettig zitten op de top van de berg maar uiteindelijk staan we op en voelen we de effecten en kenmerken van die vleesjas, zoals pijn in onze benen. We botsen tegen iemand op en de camerawacht meldt zich weer: ‘Verdorie, kijk toch ui!’. En als we thuis zitten, worden we geroepen: ‘Het eten is klaar!’ Of, ‘Doe de vuilniszak even in de container.’ Alledaagse handelingen, we ontkomen er niet aan. We proberen waakzaam te zijn om niet in een van de polen van de paradox te blijven hangen. Dat kost veel tijd en energie, waarbij we steeds weer teruggaan naar de vleesjas, steeds weer de paradox herkennen en teruggaan naar wat is en geregeld het oortje het oortje laten. We leven een spanningsveld. We zitten compleet in vrijheid, in Licht en staan op, gaan de begrensde, versluierde wereld in. Dit is ons dagelijks leven, dit spanningsveld. Een spanningsveld dat we telkens weer tegenkomen in een intensive als deze.

Wil je zelf een intensive bijwonen? Op woensdag 22 januari 2020 start in Eerbeek een nieuwe Izen intensive. Kijk hier voor meer informatie en schrijf je in!

Wat je je herinnert

Geplaatst door op 09:39 in Blog | 0 reacties

Teisho’s uitgesproken door Maurice Genko Knegtel Roshi tijdens de Izen intensive 2019 in Eerbeek. Deel 6.

We beginnen met een vraag van Koún Yamada, een leerling van Yasutani Haku’un Roshi, die een tekst schreef in het boek van Maezumi Roshi en Bernie Glasmann Roshi, een tekst met als titel ‘Is zazen een religie?’ Daarop zijn vier antwoorden mogelijk. 1. Ja, zazen is een religie. 2 Nee, zazen is geen religie. 3. Ja en nee, zazen is wel en geen religie. 4. Weet niet, geen mening. Doe maar een gooi.

Gisteren werd gezegd: alles hier zoals we het hebben opgebouwd en ingericht, is een hulpmiddel ter herinnering. Zazen is een hulpmiddel ter herinnering. Koun Yamada zegt: het is een hulpmiddel tot zelfrealisatie. Wat herinneren we ons precies? Onze boeddhanatuur, ja. Wat nog meer? Sommigen van ons hebben zich herinnerd dat we benen hebben. En dat er iets boven de benen bestaat. Anderen hebben zich herinnerd dat ze een zitvlak hebben. Wat herinneren we ons nog meer. Openheid. Ruimte. Dingen waar geen woorden voor zijn. Wat er fysiek door je heen gaat. Zijn, ja. Wat is dat, zijn? Pijn. Verbondenheid. Gedragen worden.

Laten we preciezer gaan bekijken, wat we ons herinneren. Als je naar de houding kijkt op het kussen, het lichaam in zazen, dan kun je zeggen, dat is een houding van waakzaamheid, aanwezigheid. Wat je je herinnert is dat er ‘iets’ aanwezig is. Je kan je ook herinneren dat in die aanwezigheid alle mensen en alle dingen zijn en dat ze heel dichtbij zijn. Als je verder in die aanwezigheid zakt, kun je je herinneren dat die aanwezigheid, oneindig is. Want waar houdt ze op? ‘Zijn’ eindigt niet. Zittend in die aanwezigheid heb ik geen idee waar die aanwezigheid begint of eindigt. Gisteren werd gevraagd: is er ook maar iets uitgesloten van jouw aanwezigheid in dit moment? Hoe groot is die aanwezigheid? Waar is de grens? Bij het raam? Bij het eind van dit bos, de hekken? Bij Eerbeek? Bij de provincie Utrecht? Tot hoever reikt die aanwezigheid? Dat kun je je herinneren en dat is best opmerkelijk. Wat je ook kunt herinneren is dat alles wat zich in deze aanwezigheid voordoet, zich op een volkomen vrije wijze voordoet. Volkomen vrij, er zit niets gebondens in, niets geconditioneerd. Elke bel plopt vrijelijk op. Elke vogel zingt vrijelijk. Alles vindt en heeft er een vrije plek, zonder iets anders te hinderen. Je kunt zeggen dat deze aanwezigheid ongeboren is. In deze aanwezigheid is niet zoiets als een geboorte te vinden. Het einde in de tijd van deze aanwezigheid is niet vast te stellen. Boeddha sprak van het doodloze. En er is nog iets anders dat je je kunt herinneren, namelijk dat deze aanwezigheid volledig in rust is. Zelfs in de snelle kinhin-stijl is deze aanwezigheid volledig in rust. Iedereen kan er doorheen rennen, en toch is deze aanwezigheid in rust. Een gladde spiegelende oceaan. Je kunt je herinneren dat deze aanwezigheid de enige basis is die er is, terwijl er niet zoiets als een grond is te vinden . Er is niets solide, maar het is compleet in rust, het is een basis van waaruit alles oprijst en waar alles weer in verdwijnt. Sterker, je kunt je wellicht herinneren dat deze aanwezigheid niet stuk kan. Deze aanwezigheid breekt niet, ze ‘’is’’.

We begonnen met de vraag: is zen een religie? Wel, als dit wordt herinnerd, namelijk er is iets in mij wat onpeilbaar diep, grenzeloos, niet geboren, doodloos is, dan zou je dat een religieuze ervaring kunnen noemen. Het is iets totaal anders dan wat ik me altijd voorstelde bij wie of wat ik ben. De Joden noemen het de Eeuwige. Christenen noemen het God. Sommigen noemen het Licht, anderen noemen het Duisternis. Sommigen noemen het Bodhi of Boeddhanatuur. Anderen weer een Oceaan waaruit alles oprijst en waar alles naar terugkeert. Allah. Als dit wordt herinnerd, dan is dat een ervaring van een totaal andere orde dan de wetenschappelijke, psychologische, zelfs dan onze levenservaring. Alles in die ervaring, zoals Maezumi Roshi stelt, is in intieme verbondenheid met elkaar. Religiare betekent ook ‘verbinden met’. Per definitie is deze herinnering een religieuze ervaring, het betekent een zeer intiem verbonden zijn als basis van je bestaan. Niet als een gedachte of een geloof, maar als een levende herinnering van dit eigenaardige fenomeen, als je werkelijk aanwezig bent. Je vindt een grond die geen grond is. Een bron met onuitputtelijke mogelijkheden en energie. Je vindt een thuis, zonder muren, het is eindeloos groot, zonder deur en dak en fundament. Het is een plek waar je altijd in rust kunt terugkeren. Zazen kan als hulpmiddel kan dit in herinnering brengen, deze religieuze ervaring. Boeddhisten noemen het ontwaken, Japanners noemen het satori. Zelfrealisatie. Ik herinner me iets dat veel en veel groter is dan ik me ooit kan voorstellen en het kan niet stuk.

Wordt vervolgd. Wil je zelf een intensive bijwonen? Op woensdag 22 januari 2020 start in Eerbeek een nieuwe Izen intensive. Kijk voor hier meer informatie op en schrijf je in!