De praktijk die niemand ziet: de verwezenlijking van het bodhisattva ideaal

Geplaatst door op 16:46 in Blog | 2 reacties

Het ideaal van de bodhisattva kwam vanaf de tweede eeuw voor Christus tot stand in de grote kloosteruniversiteiten van Centraal en Zuid-Oost Azië, waar men leefde volgens de strikte gedragsregels van het orthodoxe Theravadin boeddhisme. Tussen die beschermende muren en onder deze de geestelijke praktijk ondersteunende leefregels, richtten de monniken en nonnen van de nieuwe revolutionaire stroming van het Grote Voertuig (Mahayana) boeddhisme zich op degene die zijn of haar beoefening binnen de samenleving in praktijk brengt ten behoeve van anderen. Waar de ideale beoefenaar van het Theravadin boeddhisme, het zogenaamde ‘Kleine Voertuig’ is gericht op zijn eigen bevrijding van met name zijn fysieke aandriften, zijn ‘bestaansdorst’ (Sanskriet: trsna), om daarmee een ‘volkomen uitblussing’ van zijn levensvuur te realiseren en nooit meer te worden gereïncarneerd, daar is de bodhisattva als het ideaal van het Mahayana boeddhisme gericht op de terugkeer naar dit ondermaanse bestaan, om daar anderen bij te staan op hun pad naar ontwaken en bevrijding. Tegenover de ‘volkomen uitblussing’ staat in het Grote Voertuig boeddhisme dienstbaarheid; de bodhisattva verkiest de modder van dit aardse bestaan om daarin de ander bij te staan en te dienen.

Nu werkten de bodhisattva’s in de eerste eeuwen van het Mahayana in Centraal en Zuid-Oost Azië de realisatie van dit ideaal binnen de veilige en gecontroleerde oefensituatie van de kloosters uit. Alles was daarin op beoefening gericht. Later in China, bij de Ch’an boeddhisten, werkten de bodhisattva’s als herenboeren op het land en ook hier in gesloten en gecontroleerde gemeenschappen. In Japan mochten de bodhisattva’s trouwen en kinderen krijgen, maar ook hier in de gecontroleerde en op beoefening gerichte situatie van het zen klooster. Vanaf de jaren zestig van de vorige eeuw gebeurde er iets waarlijk revolutionairs binnen de vijfentwintighonderd jaar oude boeddhistische tradities: de mensen die de meditatie beoefenen en de heilige teksten lezen wonen niet meer uitsluitend in gesloten, gecontroleerde geestelijke gemeenschappen, maar in gezinssituaties middenin de samenleving, met banen, hypotheken, sociale verplichtingen, maatschappelijke verantwoordelijkheden en zonder ondersteuning van hun praktijk anders dan een wekelijks avondje zen meditatie in de lokale zitgroep, een jaarlijkse retraite en een Boeddhabeeldje op de schouw. Voor die tijd offerden de huisvaders en huismoeders wierook in de familie tempel. Meditatie was toen louter en alleen weggelegd voor de spirituele professional, de non en de monnik. Dit veranderde ingrijpend toen de boeddhistische tradities wortel schoten in Westerse grond.

Feitelijk pas sinds 1960 is in Europa en de Verenigde Staten het ideaal van de bodhisattva een realiteit geworden. De bodhisattva in de eenentwintigste eeuw zit thuis daags een half uur op zijn kussen, bankje of stoel, maar brengt het grootste deel van de dag door op zijn werkplek en te midden van de hectiek van de pompende grootstad, waar zijn dagelijkse leven zijn beoefening is. Deze beoefening is erop gericht om telkens weer te ontwaken uit zijn afdwalen in bevangenheid en terug te keren naar zijn lichaam, waar de situatie precies zoals ze is tot uitdrukking komt. Zo keert hij steeds terug naar wat is: deze concrete situatie, dit gelaat van de ander. Die ander is immer eerst. Pas daarna kom ik. De beoefening van de bodhisattva in de samenleving is fundamenteel een oefening in dienstbaarheid. Eerst jij, dan ik. Eerst afstemmen op de situatie zoals ze is en vervolgens tot handelen bewogen worden.

De beoefening in de wereld is een onophoudelijk oefenen in het terugkeren voordat de gedachten optreden en voor de dualistische beweging van ons intentionele bewustzijn naar de situatie zoals ze concreet is, om vervolgens de bewegingen van ons bewustzijn te volgen in zijn bewerken van de realiteit. Aldus kan de bodhisattva werkelijkheid van schijn onderscheiden, hetgeen in het boeddhisme prajna, ‘wijsheid’ wordt genoemd. Zolang ik het onderscheid kan zien tussen wat is en wat ik daarvan maak, kan ik terugkeren naar de ander en de situatie zoals ze is en in dienstbaarheid handelen. Zo praktiseert de bodhisattva midden in de samenleving, in de kantoortuin, de supermarkt, de file of op het perron en groeit hij of zij als een lotus in de modder. Meer dan ooit tevoren zijn we nu in staat het ideaal van de bodhisattva te leven, ten bate van de ander en staande met beide benen in de drek.

De moderne bodhisattva gaat zijn of haar weg in de wereld in stilte en onopgemerkt, anoniem. Niemand herkent hem of haar als zodanig; hij of zij kan een accountant zijn, of een receptionist, een beveiliger, verpleger, schoonmaker, hovenier of een onderwijzer. De moderne bodhisattva maakt zichzelf geenszins kenbaar als meditatie beoefenaar, religieus, spiritueel, lichtwezen, heldervoelende of boeddhist. Hij gaat niet prat op zijn dienstbaarheid en afstemming op de situatie. Hij komt en gaat in stilte en kan elke vorm in het dagelijkse verkeer aannemen.

Met regelmaat komen de moderne bodhisattva’s samen in groepen gelijkgestemden, op gehuurde locaties in pop-up zendo’s, om daar hun ervaringen te delen. Dit is de enige ondersteuning in hun beoefening. Zo zijn ze niet volkomen alleen op hun geestelijk pad en kunnen ze spreken over onzegbare en onvoorstelbare zaken die je eigenlijk alleen in psychiatrische inrichtingen hoort. Na hun samenzijn laten ze de ruimte weer achter zoals ze hem hebben aangetroffen en is het alsof er niets is gebeurd. De bodhisattva’s keren in hun anonimiteit terug en volgen in stilte hun eenzame weg naar huis, naar de plek waar alles samenkomt en waar ze worden bewogen, op en neer, en van de ene kant naar de andere, om vervolgens weer af te dwalen in de landschappen van de geest die ze rond hun ego’s hebben opgetrokken. Ongemerkt zijn ze instrumenten in de handen van alle levende wezens en ongezien dienen ze het belang van anderen moeiteloos. Je zult de bodhisattva niet als zodanig herkennen, maar hij ziet jou, zoals nog niemand je ooit heeft gezien.

Er komt weer een groep met moderne bodhisattva’s samen in het Graalhuis in Utrecht: een nieuwe Zen Cirkel start op maandagavond 20 september, onder leiding van Maurice Genko Knegtel Roshi. Kijk hier voor meer informatie.

Een boeddhistische kijk op het Ik

Geplaatst door op 09:21 in Blog | 0 reacties

Het Ego of het Ik speelt een belangrijke rol op ons spirituele pad. Maar wat is het eigenlijk? En moeten we het Ego op ons geestelijke pad zien kwijt te raken? Hoe zouden we dit Ego of Ik kunnen duiden vanuit de boeddhistische meditatiepraktijk en het boeddhistische gedachtegoed? Ik waag een poging en schuw daarbij onze ‘eigen’ Jungiaanse traditie in het beschouwen van het Ego niet.

Het Ik is een product van ons intentionele bewustzijn. Tegenover het bewustzijn van iets, het object, plaatst ons bewustzijn een actor, het subject. Dit noemen we ‘ik’. ‘Ik’ zie, ‘ik’ hoor, ‘ik’ denk, ‘ik’ loop, et cetera.

Ons zelf-bewustzijn, een andere functie van ons bewustzijn, identificeert ons lichaam-en-geest (de eenheid die men in het boeddhisme namarupa noemt) met een Ik. We wijzen naar ons lichaam en zeggen: ‘Dit ben ik.’

Het Ik of Ego is een gegroeide structuur van voelen, ervaren en handelen op basis van diep ingesleten patronen van karma en onbewuste overlevingsmechanismen.

Het bewustzijn van een Ik hebben we nodig om sattva, de eenheid van lichaam-en-geest (namarupa), door te wereld heen te leiden en te laten overleven. Ons Ik beschermt, behoudt, stuurt, stuurt aan en controleert ons sattva.

Het Ik als stuurman naast de Meester, de kapitein

Als stuurman is ons Ik een van de verlichte kwaliteiten die ons leven dienen. Maar als het Ik onbewust en in onwetendheid functioneert, dan gaat het ondergronds en bestiert het als een guerrilla alle andere verlichte kwaliteiten zoals onze waarneming, onze emoties, onze wil, ons denken en onze intuïtie.

Het Ik wordt als stuurman en controller gevormd in wisselwerking met zijn omgeving. Het voegt zich in de patronen van de vader en van de moeder en in hun eigen patronen die worden doorgetrokken uit generaties daarvoor. Het Ik slijt nieuwe patronen in in een reactie op de omgeving in de eerste drie levensjaren. Aldus ontstaat de samenhangende, psychische structuur die we Ik noemen.

Het Ik stuurt, stuurt aan en controleert op basis van de diep ingesleten patronen (samskara, een van de vijf levenscondities) van karma (invloeden van spreken, denken en handelen). Deze diep ingesleten patronen zijn als een net vervlochten met onze ‘vleesjas’ sattva, ons lichaam-en-geest (namarupa). Ons sattva ligt voor een groot deel vast in onze genen en patronen.

Het Ik is de stuurman die ons door de wereld en de loop van ons eigen leven laat reizen. Bij onvoldoende ego-ontwikkeling staat de stuurman te wiebelig. Het Ik zal eerst moeten worden verstrekt om aan het stuur te gaan staan. Bij te veel ego, verstijft de stuurman en wordt onze gang door de wereld strak en stroperig. De werking van de Meester, degene die nu deze woorden leest, wordt in beide gevallen niet meer gevoeld en daardoor we zijn niet meer afgestemd op onze omgeving en ons eigen bestaan. Het geestelijke pad maakt het Ego losser, meer wendbaar; het Ik is meer bereid zijn juiste plek in te nemen, namelijk die van stuurman naast de Meester, de kapitein van het schip.

Het Ik als centrum, of zonder centrum

Als sattva draait rond een hard centrum dat we Ik noemen en als het dit solide centrum dient, dan is er geen ruimte meer voor het vrije functioneren van sattva binnen zijn gegeven patronen. Dit is duhkha, de eerste edele waarheid van het boeddhisme, ons leven stokt.

Maar als sattva geen centrum heeft, dan is het wat het in wezen is: deze unieke vorm van bodhi, de ongeboren, onbeperkte aanwezigheid. Als het Ik deze onbeperkte aanwezigheid dient als een instrument naast alle andere instrumenten (waarnemen, emoties, wil, denken, intuïtie), dan is er alle ruimte voor het functioneren van sattva binnen zijn gegeven patronen. Dit is de enige concrete vorm van bevrijding (nirvana, ‘de onverstoorbare vrijheid van geest’) die ik ken. Dit is een bevrijding van het Ik, maar niet zonder het Ik.

De diep ingesleten patronen en het Ik als stuurman en controller zijn als de rails en de machinist waarmee de trein, de bodhisattva, zich in de wereld begeeft. Het onbeperkt aanwezige heeft precies deze beperkte vorm en beperkte actieradius om zich in de wereld tot uitdrukking te brengen. Dit is de betekenis van de bodhisattva.

De bevrijding van het Ik (nirvana) is niet het verlies van het Ik, maar de herinnering van de natuurlijke orde (sangha), waarin het Ik vrij functioneert in de onbeperkte, verlichte aanwezigheid van bodhi, jouw aanwezigheid.

Wordt het Ik gezien als centrum, dan staat het ware Zelf, de Meester die nu deze woorden leest, ten dienste van het Ik. Wordt het ware Zelf gezien als basis, dan staat het Ik ten dienste van het ware Zelf, zoals de stuurman de kapitein dient.

Het Ik dient de Meester, maar als de Meester niet in beeld is (niet wordt herkend en herinnerd), dan dient het Ik alleen zichzelf (egoïsme) en dienen alle andere verlichte kwaliteiten (waarnemen, emoties, wil, denken, intuïtie) alleen het Ego (egocentrisme).

Echter, als ik naar het Ik ga zoeken, dan kan ik het nergens vinden. Als ik dichtbij mijn aan den lijve ervaren blijf, dan ervaar ik dat het Ik telkens te laat is. Wat ervaren wordt is al voorbij, de ander en het andere zijn al binnen, nog voordat ik ‘Ik’ kan zeggen. Dit is de betekenis van Boeddha’s anatmavada, het onderricht van de zelveloosheid: er is een zelf, maar dit zelf is zelveloos. Het bestaat als een beeld in de spiegel. Het is er, maar je kunt het nergens vinden.

Maurice Genko Knegtel Roshi leidt een zen weekend op 12 en 13 juni 2021 in het Graalhuis te Utrecht met als thema ‘Tussen zien en doen’. Voor meer informatie en opgave, klik hier.

Zen in het dagelijkse leven (Ontwaakte aanwezigheid)

Geplaatst door op 08:57 in Blog | 1 reactie

Deze tekst kwam ik tegen toen ik voor de Zen Cirkel het onderricht van Meester Huangbo in Ontwaakte aanwezigheid opzocht. De tekst is in 2008 gepubliceerd, maar heeft niets aan waarde en actualiteit ingeboet. Hij staat nog steeds als een huis! Daarom deel ik hem aanbeveling.

Er is geen onderscheid tussen mijn dagelijkse leven en zen. Ik ben zen. Mijn leven is beoefening. Ik ben bevrijde, ontwaakte aanwezigheid, wat ik ook doe. Maar leef ik dit? Is er niets dat ik zou willen verwerpen? Is er geen situatie die ik uit de weg wil gaan? Hoe leef ik de eenheid met wat zich in mijn aanwezigheid aandient? Hoe leef ik de onbeperkte, ontwaakte aanwezigheid in mijn beperkte, bevangen bestaan?

Ik ben zen. De vraag is niet hoe ik zen in mijn dagelijkse leven integreer, mijn dagelijkse leven is zen. De vraag is hoe ik mijn dagelijkse leven als oefening kan zien. Een eindeloze oefening in het leven van de eenheid in de veelheid, van ontwaakte aanwezigheid in bevangenheid, van dit vrije functioneren in mijn door en door geconditioneerde bestaan?

Ik ben zen en daarom is mijn dagelijkse leven eindeloze oefening, eindeloos ontwaken. Wat doet zich voor in mijn aanwezigheid? Wat speelt er? Wat is dit? En wat doe ik ermee? Hoe verhoud ik me ertoe? Wat maak ik ervan in mijn hoofd?

Hoe is mijn dagelijkse leven beoefening, op mijn werkplek, in mijn jachtige gang van de ene naar de andere afspraak, binnen mijn relaties, middenin de multiculturele samenleving?

Uitgaande van Huinengs stelling dat beoefening onderscheidende helderheid is, het ophelderen van het onderscheid tussen wat is en wat ik daarmee doe, kan ik de vraag ook anders formuleren. Hoe beoefen ik onderscheidende helderheid in mijn dagelijkse werkzaamheden en hoe laat ik haar functioneren als compassie, het liefdevolle handelen vanuit fundamentele verbondenheid?

Als het gaat over zen in mijn dagelijkse leven, gaat het over de vraag of ik bij tijd en wijle kan ontwaken uit mijn bevangenheid en voor even kan rusten in wat is, mijn bevrijde en bevrijdende, ongekunstelde aanwezigheid.

Kaders

Tot zo’n dertig jaar geleden is zen beoefend binnen een monastiek kader, dat de praktijk mogelijk maakt, richting geeft, ondersteunt en verdiept. Zowel in China, Korea, Vietnam en Japan, als in de Verenigde Staten en Europa is ze gedragen door een monastieke discipline in ruimte en tijd (vormgeving en indeling van de kloosters en meditatiecentra en een dagprogramma die geheel in het teken staan van de beoefening) en een homogene groep studenten, die allen op hetzelfde zijn gericht en een uniform gedrag vertonen. De uitdrukking van zen in woorden en symbolen die de student inspireert en ondersteunt, komt voort uit deze monastieke traditie. Ze verhaalt van monniken die van meester naar meester reizen en zich over niets anders hoeven te bekommeren dan hun eigen zen weg en verbeeldt zittende, liggende of staande Ontwaakten in monnikspij. Tenslotte is het onderricht in levende lijve beschikbaar in de hoedanigheid van de meester.

Vanaf het einde van de vorige eeuw en vaak buiten de gevestigde zen centra in het Westen, die zich baseren op de Aziatische kloostertraining, vinden we groepen studenten die zich wagen aan de integratie van hun zen praktijk in het dagelijkse leven. Deze groepen voegen zich onmogelijk naar het meer dan duizend jaar oude perspectief waarbinnen de zen beoefening plaatsvindt. Elke student van deze heterogene groep heeft een hoogst individuele praktijk die past bij zijn unieke leefsituatie. De discipline in ruimte en tijd draagt de student zelf. Hij zal zichzelf in zijn leefruimte en in zijn volle agenda eraan dienen te herinneren dat hij zich heeft voorgenomen zijn leven te onderzoeken. Hij zal zichzelf moeten motiveren, ook in perioden waarin hij het half uurtje dat hij voor meditatie heeft uitgetrokken wel beter kan gebruiken. Voor wie binnen een monastiek kader oefent is discipline geen kwestie. Voor de student die zich niet uit de maatschappij terugtrekt, is ze een van de grote vraagstukken waar hij van het begin af aan mee te maken heeft. En hij ziet zich alleen voor dit probleem gesteld, zelfs al heeft hij de ondersteuning van een groep gelijkgestemden die eens per week samenkomt voor meditatie. De meester, het levende onderricht, is als het meezit alleen dan beschikbaar en de relatie tussen leraar en leerling is van een andere orde dan die tussen monnik en abt. Aangezien de confucianistische hiërarchie in het democratische Westen niet overdraagbaar is en elke autoriteit in onze tijd ter discussie wordt gesteld, dient de verhouding tussen leraar en leerling in een niet monastieke situatie te worden onderzocht. Een leraar is noodzakelijk om je op het geestelijke pad in te wijden, maar de verbintenis met een leraar voor een onbepaalde tijd is niet altijd nodig. Hoe ziet de functie van de leraar eruit, wat kan er worden gevraagd van de leerling en welke vorm heeft de persoonlijke begeleiding?

Wil de beoefening transformerend werken, dan zal ze uit meer dan zitten in zen moeten bestaan. Vaak is een student met een baan, een partner en kinderen, met sociale en maatschappelijke verplichtingen niet in staat om meer dan een of hooguit twee keer een half uur zit meditatie per dag te beoefenen. Wat betekent de praktijk van zen binnen alledaagse situaties en activiteiten, zonder dat we die situaties en activiteiten anders maken dan ze zijn? Hoe ziet contemplatie in actie eruit? De zen traditie biedt de beoefening van ethische voornemens en van de ‘zes kwaliteiten van de Mens’, de paramita’s, maar geeft geen voorbeelden van werk, relaties, seksualiteit of onze haastige gang door een hectische wereld als oefeningen in aanwezigheid. Tot slot is de vraag hoe de student die en een werkend leven leidt, zorg draagt voor een partner, kinderen en de samenleving en spiritualiteit praktiseert zijn weg in zijn eigen woorden en symbolen tot uitdrukking brengt. Dit is niet de taal van de religieuze professional, de monnik of de priester. Deze mystieke taal kan niet anders dan een hoogst persoonlijke taal zijn. Hoe druk jij het mysterie van je leven uit? Welk talig raamwerk geeft jouw beoefening richting?

De vraag naar de praktijk van zen in het dagelijkse leven, is de vraag naar een kader dat haar in onze samenleving mogelijk maakt, richting geeft, draagt en verdiept. Dit kader zal elke student die zich voor zijn geestelijke ambities niet wil onttrekken aan zijn wereldse verantwoordelijkheden zelf moeten uitvinden en verwerkelijken. Hij zal daarbij moeten beginnen waar de meeste gevestigde spirituele tradities eindigen, namelijk bij de vraag: ‘En wat nu?’

Dus als jij je leven wilt leven in onderscheidende helderheid en je bent niet bereid je carrière, je relatie of je gezin daaraan ondergeschikt te maken, dan is de vraag wat jouw spirituele verhaal is dat je motiveert, je beoefening richting geeft en je vertelt wat je hebt te doen? Hoe ziet jouw praktische perspectief eruit, dat niet alleen een basis legt voor je beoefening van zen op een kussen of een stoel (Wanneer? Hoelang? Hoe vaak? Waar?), maar dat ook je handelen in dagelijkse situaties in het licht van je zen praktijk plaatst.

Zoals uit de onderrichten van de Chinese, Japanse en Amerikaanse meesters blijkt, bereiken we in zen beoefening niets. We creëren ruimte om te zijn wie we zijn, deze ene aanwezigheid, in al haar facetten. We maken de situaties waarin we oefenen niet anders dan wat ze zijn. We stellen onszelf de vraag, wat het betekent om in een situatie aanwezig te zijn, open, intiem verbonden met alles wat in die situatie is gegeven en vrij functionerend met onderscheidende helderheid en compassie?

Onderscheidende helderheid

De beoefening van zen in het Westen kent niet noodzakelijk dezelfde motieven als die van de monniken en nonnen uit de Aziatische landbouwcultuur. Is ontwaken het standaard motief in het oude verhaal van het Oosterse zen, rust is het veel gehoorde motief in het post-moderne Westerse zen. Rust vinden in de maalstroom van alledag, waarin de moderne mens wordt overspoeld door een mateloze hoeveelheid informatie en keuzes, en voortdurend wordt aangesproken en uitgelokt tot beantwoorden, positie nemen, verantwoorden. Rust vinden in de moderne integratie, het leven waarin alles samengaat: en kinderen opvoeden en een carrière nastreven en op een verantwoorde wijze je relatie en sociale contacten onderhouden en de eindeloze input van informatie verwerken en een spirituele praktijk beoefenen… Met het motief van deze innerlijke en uiterlijke rust zijn andere typisch eigentijdse drijfveren verbonden, zoals het terugvinden van de kwaliteit van leven en de bezieling in je werk, het herontdekken van verbinding met jezelf, de ander en ‘het andere’ en het vinden van zin, betekenis, richting in een van God verlaten universum.

Deze motieven genereren een ander spiritueel perspectief dan het relaas over ontwaken, ofschoon de onderrichten van de meesters ons nog steeds in het hart raken. Huangpo’s devies om volkomen stil te worden en een einde te maken aan de onophoudelijke stroom van gedachten is actueler dan ooit en kan moeiteloos in ons kader rond het zoeken naar rust worden ingevoerd. Toch is het talige perspectief waarbinnen mijn beoefening in de samenleving plaatsvindt meer dan ooit een persoonlijk verhaal.

Bepalend voor mijn kwaliteit van leven en werken is of ik in de situatie waarin ik me bevind werkelijk aanwezig ben.

Werkelijk aanwezig zijn in een situatie impliceert dat ik kan ontspannen en door mijn ideeën over de situatie en mezelf heen kan kijken. Als ik echt aanwezig ben, dan zie ik mijn ideeën voor mijn ideeën, mijn emoties voor mijn emoties en de situatie voor de situatie zoals ze is, onbepaald en niet onderscheiden van mijn leven.

Ik kan het best ontdekken wat het betekent om aanwezig te zijn, door me even terug te trekken uit de waan van de dag, de boel de boel te laten en te gaan zitten op een stoel of een kussen en niets te doen. Alleen maar aanwezig zijn. Het grootste obstakel vind ik in mijn denken. Aanwezig zijn zonder te denken is de kunst van het zitten in zen, schrijft Dogen in zijn Zazengi. Hoe doe ik dat? Door bijvoorbeeld mijn ademhaling te volgen of mijn uitademingen te tellen van een tot en met tien. Of door me voor te nemen om aanwezig te zijn en te verzinken in mijn waarnemende, voelende, denkende lichaam. Als ik afdwaal in gedachten, merk ik dit op en geef mezelf de gelegenheid terug te keren naar wat ik me heb voorgenomen te doen, mijn ademhaling volgen of tellen, aanwezig zijn. Aanwezig in dit moment ben ik een met wat zich aandient. Ik ben de situatie en gedachten, emoties, waarnemingen, gewaarwordingen komen op en verdwijnen als wolken aan de hemel. Er is openheid, grenzeloos, ongeboren en alles klopt.

Totdat ik meega in mijn gedachten en surf op de sites van mijn preoccupaties. Mistige situatie. Dan me weer herinneren wat ik me heb voorgenomen, ontwaken, zien wat ik doe in mijn hoofd, dit loslaten en terug naar waar ik ben. Deze beweging, eindeloos, is de dynamiek van onderscheidende helderheid.

Het kost tijd om deze dynamiek in mijn leven te laten inslijpen. In het begin kan het behulpzaam zijn dit zittende te doen, op een stoel of een kussen. De vraag is hoe ik het zitten in zen integreer in mijn leefomgeving en mijn volle agenda. Zelfdisciplinering is een van de grote uitdagingen van meditatie in mijn dagelijkse leven. Waar in huis richt ik mijn meditatie plek in? Deze plaats is de plaats waar het grote mysterie van leven en dood zich in volle helderheid manifesteert, ze is een sacrale plaats. Hoe ziet ze eruit? Welke tekens herinneren me aan wat ik hier heb te doen? Het creëren van een heilige plek in huis, of op het werk als dat mogelijk is, is belangrijk omdat het mijn praktijk fysiek ondersteunt en het de integratie van spiritualiteit in een profaan leven zichtbaar maakt.

Een sacrale plaats inrichten is een ding, er te gaan zitten in zen is iets anders. De disciplinering van mijn tijd is een groter probleem dan de disciplinering van mijn ruimte. Wanneer ga ik zitten in zen? Is het beter om het ‘s ochtends of ‘s avonds te doen? Hoelang beoefen ik meditatie? Hoe vaak beoefen ik zen op een dag? Voor mij luidt het antwoord op deze vragen: wanneer mijn agenda het toelaat. Als ik ergens structureel een half uurtje niet ingevulde tijd heb, dan kan ik ervoor kiezen die tijd in te plannen voor meditatie. Heb ik die tijd eenmaal ingepland in mijn agenda, dan is het nog een hele kunst om hem daadwerkelijk voor zen te gebruiken. Aangezien mijn dagen bol staan van de activiteit, is niets doen wel het moeilijkste dat ik me kan voornemen. Het is zo zinloos! Er gebeurt zo weinig. Ik heb geen idee of het werkt, of ik vorderingen maak. Soms zit ik alleen maar te peinzen of ik suf weg. Vaak heb ik wel wat beters te doen, denk ik. En ik ben de enige die me voor dertig minuten op dat kussen kan laten zitten!

Maezumi Roshi schrijft in Waarom zen beoefenen? dat beoefening betekent ‘iets keer op keer opnieuw herhalen’. Regelmaat is voor elke oefening fundamenteel. Alleen door met vaste regelmaat te zitten en af te dwalen in gedachten, mijn voornemen te herinneren, te ontwaken en te zien wat ik doe, mijn muizenissen los te laten en aanwezig te zijn en… af te dwalen in gedachten; door deze dynamiek eindeloos zich te laten herhalen, ontwikkelt zich vanzelf een helderheid waarin mijn idee is onderscheiden van wat is.

Compassie

Als deze dynamiek wortelt in een regelmatige beoefening van zitten in zen kan ik haar de wereld in brengen.

Ik kan dit doen door me voor te nemen om, wanneer ik me dat herinner, in de situatie aanwezig te zijn en gewoonweg te kijken, te luisteren, te voelen, adem te halen, gedachten te laten opkomen en te laten gaan. Vaak ben ik zo bevangen door de waan van de dag, dat ik ‘s avonds moet vaststellen dat ik mijn voornemen glad ben vergeten. Dat geeft niet. Beoefening betekent ‘iets keer op keer opnieuw herhalen’. De volgende ochtend begin ik weer vol goede moed met mijn voornemen om aanwezig te zijn.

Het gemakkelijkste kan ik mijn intentie herinneren in situaties die niet zijn ingevuld of waarin ik moet wachten. Gelukkig hebben we in onze overgeorganiseerde samenleving voldoende oningevulde tijd: als ik wacht op het openbaar vervoer, als ik met mijn auto in de file stilsta, als ik met mijn winkelwagentje in een goedkope supermarkt sta te wachten voor de kassa, in de wachtkamers van gemeentelijke en zorg instellingen, of als ik me lopend of per fiets beweeg van de ene naar de andere afspraak. Als ik mijn emotionele waaier van verwachting tot ergernis heb afgewerkt en tot de conclusie kom dat me nu niets anders te doen staat dan te wachten, dan kan het zijn dat ik me mijn voornemen herinner.

Wat doe ik dan? Ik doe helemaal niets. Ik laat los waar ik in mijn hoofd mee bezig ben, strek mijn rug, volg mijn ademhaling van het hoofdkwartier naar de werkvloer, mijn onderbuik en ben aanwezig. Nu ben ik de situatie, geestelijk, fysiek en energetisch; alle aspecten van de situatie stromen door me heen. In mijn kijken, luisteren, ruiken, voelen, tasten, denken breng ik de situatie volledig tot uitdrukking. Ik ben de openheid van de situatie, de onbegrensdheid en onbepaaldheid, net zolang tot er een gedachte opkomt waarin ik meega en mijn bewustzijn zich vernauwt tot mijn dagelijkse beslommeringen. Als er later een moment komt waarop ik word gedwongen een pas op de plaats te maken, mijn voornemen herinner en mezelf de gelegenheid geef om me te verbinden met de situatie, dan is de situatie precies zoals ze is. Enzovoort. Dit is de dynamiek van onderscheidende helderheid in mijn gehaaste gang door de wereld.

Interessant wordt het wanneer ik handel vanuit aanwezigheid. Het lijkt alsof ik dit altijd doe. Maar wat ik meestal doe is handelen vanuit vooropgezette ideeën, strategieën, angsten, voorkeuren, afkeuren, verlangens en diepliggende reactiepatronen. Vaak maak ik helemaal geen contact met de situatie. Ik ben alleen met mezelf bezig. Als ik handel vanuit aanwezigheid, vervuld van alles wat in de situatie speelt, ben ik het niet die handelt en vindt dit handelen plaats in volstrekte onwetendheid. Het boeddhistische begrip karuna, dat vaak wordt vertaald met ‘compassie’ of ‘mededogen’, kan het best worden omschreven als ‘de toestand waarin het zelf is vervuld van het leven van alle levende wezens, tot overlopen aan toe.’ Dit vervuld zijn van wat zich in een situatie aandient, gebeurt in mijn aanwezig zijn. Het overlopen doet zich voor als de krachten in een situatie me bewegen. Wat ik dan doe, noemt het boeddhisme ‘compassie’.

Compassie is niet handelen vanuit mezelf, maar in verbinding met de situatie. Dan handel ik niet vanuit mijn weten, maar vanuit aanwezigheid. Ik zie mijn ideeën, oordelen en emoties voor wat ze zijn en laat me niet door mezelf beperken. Ik ga er niet in mee. Ik houd me er niet aan vast. Ik blijf bij de situatie waarin ik ben, ongekunsteld aanwezig, luisterend, kijkend, voelend, denkend zonder te denken. Ik weet niet wat ik zal doen. Ik ben open als de situatie zelf. Het kan zijn dat ik doe wat me goed lijkt om te doen. Het kan zijn dat ik handel tegen mijn eigen oordeel, emoties en ideeën in en doe wat er in de situatie moet worden gedaan. Handelend vanuit mijn aanwezigheid ben ik instrument. Ik doe niets. Ik word bewogen door de krachten die in een situatie spelen, inclusief mijn eigen willen, voelen en weten. Dit bewogen worden gaat vooraf aan elk onderscheid, ook het onderscheid tussen goed en kwaad. Ik kan zo mijn ideeën hebben over hoe handelen vanuit compassie eruit ziet, maar dit zegt niets over wat ik feitelijk doe.

De patriarch Linji benadrukt hoe onbepaald het begrip compassie is. Hij zegt: ‘Laat licht schijnen op de omstandigheden op het moment dat ze ontstaan. Vertrouw slechts op de ene die nu handelt. Hij uit zich niet op een of andere specifieke manier.’

In aanwezigheid bij de ander

Aanwezig zijn bij de ander is noch bij mezelf zijn, noch bij de ander. Ik ben niet bij mezelf in de zin dat ik niet vasthoud aan wat ik weet en wil. Ik ben niet bij de ander in de zin dat ik niet vasthoud aan mijn beeld van de ander en wat ik met de ander wil. In het Platform soetra wordt zo fraai geformuleerd, dat als ik me nergens aan vastklamp, ik aanwezig ben. Ik kan dit ook omdraaien: als ik aanwezig ben, klamp ik me nergens aan vast. In aanwezigheid bij de ander houd ik me niet vast aan mijn zelfbeeld, oordelen en verlangens, noch aan het beeld dat ik van de ander maak.
Het merkwaardige van aanwezigheid bij de ander is, dat ik de greep op mijn bestaan even opgeef, maar ik daarmee niet ‘opga in de ander’ of me in die ander verlies. Mezelf wegcijferen is geen aanwezig zijn. Het is een vlucht voor aanwezigheid in passiviteit en een opgeven van mijn verantwoordelijkheid. Aanwezig zijn bij de ander is bewogen worden door iets dat zich tussen mij en de ander voltrekt. Ik kan dit intimiteit noemen. Of compassie. Of liefde. Ik ben noch bij mezelf, noch bij de ander, een duister en daadloos gebeuren voltrekt zich in een onbereikbaar tussengebied. Iets gaat zijn gang en het beweegt mij en de ander, op en neer, en van de ene kant naar de andere. En van mezelf naar de gave van het zelf en weer terug naar mezelf, eindeloos. De dynamiek van intimiteit, die we ook tegenkomen in de erotiek, is de dynamiek van onderscheidende helderheid.

Mijn aanwezig zijn bij de ander hangt niet van de ander af, noch van de aard van de relatie. Al ontmoet ik iemand toevallig op straat of in de trein, al is de ander niet ontvankelijk, wanneer ik bereid ben de greep op mijn bestaan even los te laten en mezelf in de ontmoeting met de ander bloot te stellen, dan ben ik aanwezig bij de ander. Die aanwezigheid is open: de ander komt binnen zoals hij is, niet vervormd door mijn voor- en afkeuren. Ik hoef niet bang te zijn dat de ander van zoveel weerloosheid misbruik maakt. Ik kan vertrouwen op de in mijn leven ontwikkelde beschermingsmechanismen, ik kom altijd weer terug bij mezelf. Het ik is in aanwezigheid bij de ander niet geëlimineerd, het staat gewoon om de hoek te wachten tot het zijn taak weer mag vervullen. Natuurlijk vraagt mijn aanwezig zijn bij de ander vertrouwen. Dit is geen vertrouwen in de ander of in mezelf. Het is het vertrouwen in open aanwezigheid, in niet weten en instrument zijn.

Dit vertrouwen groeit in zen meditatie en in het ter plekke aanwezig zijn. Ik beoefen het in mijn handelen in dienst van de situatie en in mijn aanwezigheid bij de ander. Dat ik hierin voortdurend faal en terugdeins is niet erg. Beoefenen betekent ‘iets keer op keer opnieuw herhalen.’ Mijn terugdeinzen geeft me de gelegenheid andermaal terug te gaan naar mijn aanwezigheid. En zonder bevangen aanwezigheid is er geen ontwaakte aanwezigheid.

Uit: Ontwaakte aanwezigheid, gepubliceerd in 2008 door Uitgeverij Juwelenschip.

Karma, patronen en bevrijding (slot). Hij ontkent de wet van karma niet

Geplaatst door op 10:44 in Blog | 0 reacties

Teisho’s gegeven tijdens de Izen intensive 2020 door Maurice Genko Knegtel Roshi

Maar er is ook een ander kader waarvan uit we karma kunnen bekijken. Wat zo mooi is, als je tien of twintig keer dezelfde verhalen hoort, dan ontdek je er telkens weer iets nieuws in. Dat merkte ik op in mijn voorbereiding van deze intensive, bij een ander verhaal. De hoofdfiguur in dat verhaal, Baizhang, is namelijk de leerling van Mazu, de centrale figuur in het eerste verhaal. Het verhaal van Mazu en Feng gaat in een rechte lijn over in het verhaal van Baizhang. Baizhang kennen we in eerste instantie uit de anekdote waarin de leraar Mazu en de leerling Baizhang wandelen in de bergen. Er vliegt plotseling een vlucht wilde ganzen over. Mazu vraagt “‘ Wat zijn dat?’ Baizhang zegt: ‘Wilde ganzen’. En Mazu vraagt: ‘Waar vliegen ze heen?’ Baizhang zegt: ‘Ze zijn al weg.’ Mazu pakt Baizhang bij de neus en draait deze stevig om. ‘Au! Au!’ brult Baizhang. Mazu zegt: ‘Hoe kun je zeggen dat de ganzen zijn weggevlogen, terwijl ze al die tijd hier zijn geweest’. Waar? Hier!

In het verhaal waar het me nu om gaat, is Baizhang zelfstandig leraar en dit is een van de meest vreemde verhalen in de zen traditie. Baizhang overigens, is de eerste binnen de traditie die de regels voor een zen klooster opstelt. Het verhaal gaat als volgt:

Telkens als Meester Baizhang de Dharma onderwees, verscheen er een gestalte die met de monniken toehoorde. Als ze weggingen, ging hij ook weg. Op een dag bleef hij echter alleen achter. Toen vroeg de Meester hem: ‘Wat voor een mens ben jij die hier voor me staat?’ De gestalte antwoordde: ‘Waarlijk, ik ben geen mens. Lang geleden, in de tijd van Kashapa Boeddha, leefde ik op deze berg als zen priester. Eens vroeg een monnik me: ‘Blijft een volmaakt ontwaakte gebonden aan de wet van oorzaak en gevolg, of niet?’ Ik antwoordde: ‘Een volmaakt ontwaakte is niet aan de wet gebonden.’ Vanwege dat antwoord viel ik voor vijfhonderd levens terug in de toestaand van een vos. Nu vraag ik u, Meester, geef me een keerwoord en verlos me uit dit lichaam van een vos.’ Daarop vroeg hij: ‘Blijft een volmaakt ontwaakte gebonden aan de wet van oorzaak en gevolg, of niet?’
De Meester antwoordde: ‘Hij ontkent de wet van oorzaak en gevolg niet.’
Bij het horen van die woorden verkreeg de vos onmiddellijk een diepe realisatie. Hij boog en zei: ‘Nu ben ik van het lichaam van een vos bevrijd en zal achter de berg wonen. Slechts om één ding vraag ik de Meester nog: begraaf me volgens de ritus voor een overleden monnik.’ De Meester droeg de Ino op met de hamer op een houten aambeeld te slaan en aan de monniken te verkondigen dat na de maaltijd een crematieplechtigheid voor een gestorven monnik zou plaatsvinden. Verbaasd vroegen de monniken: ‘Iedereen is toch gezond? Er ligt niemand in de ziekenzaal. Wat heeft dit te betekenen?’

Na de maaltijd leidde de Meester de monniken achter de berg naar de voet van een rots en haalde met zijn stok het dode lichaam van een vos tevoorschijn. Daarna voltrok hij de ceremonie van de lijkverbranding. ’s Avonds nam de Meester plaats op de Patriarchenzetel in de Dharmahal en vertelde de monniken het hele verhaal. Dadelijk vroeg zijn leerling Huangbo: ‘De priester kreeg vanwege een verkeerd keerwoord de straf vijfhonderd maal in een vossenlijf te worden wedergeboren. Aangenomen dat hij met zijn antwoord geen fout had gemaakt, wat was er dan gebeurd?’
De Meester zei: ‘Kom dichterbij, dan zal ik het je zeggen’. Huangbo liep op de Meester toe en sloeg hem in het gezicht. De Meester klapte in zijn handen en zei met een luide lach: ‘Ik dacht dat alleen de baard van die ene barbaar rood was, maar hier is nog een barbaar met een rode baard.’ (Uit: Wu-men kuan, casus 2)

Prachtig verhaal! Is het een probleem om als vos terug te keren? Nou, vijfhonderd levens is wel heel veel. Hoe was hij in die situatie terecht gekomen? Hij had een antwoord gegeven op een vraag: ‘Blijft een volmaakt ontwaakte gebonden aan de wet van oorzaak en gevolg, of niet?’ Hij zei: ‘Deze is niet aan de wet gebonden.’

We hebben het over de ‘volmaakt ontwaakte’, dat is degene die deze woorden leest. Hij is altijd wakker. Wat betekent dat? Aanwezig zijn. Hier. Volledig aanwezig. Volledig in mijn lijf. Misschien ken je dat deze dagen wel, dat als je zit en je in je lichaam zakt, er een sensatie ontstaat dat jouw aanwezigheid nergens eindigt. En waar begint ze? Bij de voordeur? Bij het bordje van de gemeente Hall? Ze dijt uit. Je kunt nergens een begin van jouw aanwezigheid vinden. Alles is hier, intiem, zeer dichtbij. De vlucht ganzen. ‘Gak, gak!’, die zit hier. Je bent totaal aanwezig. Wat is het? Als je denkt ‘Wilde ganzen’, dan is dat altijd achteraf. ‘Gak, gak!’, dat verschijnt in je aanwezigheid, maar je hebt geen idee wat het is. Het komt nergens vandaan, het gaat nergens heen; het ontstaat niet, het vergaat niet. Alles is volkomen ongrijpbaar, je hebt geen idee. Wat is het? Het is precies wat het is.

Deze volmaakt aanwezige, is deze vrij van karma, of niet? Inderdaad, er is geen karma, er is geen oorzaak en gevolg te vinden. Dit is de top van berg, volstrekt onbepaald, volstrekt ondoorgrondelijk en lucide, absolute aanwezigheid, helemaal samengevallen met jezelf. Enkel licht.

Maar wat gebeurt er als je opstaat? Is er dan voor deze volmaakt ontwaakte echt geen oorzaak en gevolg? Sommigen blijven in satori hangen. Wat gebeurt er dan? Je voelt je God, je bent onbeperkt en eeuwig. Je kent geen karma, geen oorzaak en gevolg, je kunt lekker over de benen van de ander heen rijden. Sommigen blijven in die staat hangen. Wat gebeurt er dan, wanneer je oorzaak en gevolg, dus karma ontkent? Je slijt vijfhonderd levens als vos! Totdat je terugkomt in de gedaante van vos noch mens en vraagt: ‘Kun je mij een verlossend keerwoord geven?’ Baizhang zegt: ‘Hij ontkent de wet van oorzaak en gevolg niet.’ In een andere vertaling staat: ‘Hij wordt niet gehinderd door de wet van oorzaak en gevolg.’ En dan valt het kwartje…

Welk kwartje valt hier? Wat is die open, onbeperkte aanwezigheid? Dat ben jij! Die eindeloze ruimte slaat om naar dit vehikel, dit eindige lijf, deze beperkte vleesjas. Met alles erop en eraan. Mijn leven is door en door bepaald door karma, deze onbepaalde aanwezigheid IS karma. DAT kwartje valt dan!

De vraag die Huangbo stelt, is ook interessant. Hij vraagt: ‘De priester kreeg vanwege een verkeerd keerwoord de straf vijfhonderd maal in een vossenlijf te worden wedergeboren. Aangenomen dat hij met zijn antwoord geen fout had gemaakt, wat was er dan gebeurd?’

Stel dat de vraag juist was beantwoord, wat was er dan gebeurd? Maar er is geen juist antwoord! Beide antwoorden zijn waar. Als ik in mijn lijf zak, voorafgaand aan de woorden en de reflectie blijf, dan is er slechts onbepaalde aanwezigheid. En als ik opsta van het kussen, dan begeef ik me onmiddellijk in het diepe spoor van mijn patronen. Het is tegelijkertijd. Jouw leven is ongeboren, doodloos. En ja, jouw leven is ergens begonnen en het eindigt ergens. Jouw ruimte is onbeperkt en ja, je bent beperkt tot de maten van jouw lichaam. Het punt in zen is: je kunt het nooit goed zeggen. Dat heb ik zo vaak meegemaakt! Heel veel van wat ik in mijn training bij Roshi naar voren bracht, werd door hem weggewuifd: ‘Meer zazen!’

Tot slot, de openingsregel van de Dhammapada: ‘De dingen worden voorafgegaan door de geest, hebben de geest als voorman, worden door de geest gemaakt.’

De Dhammapada is het meest gelezen geschrift in Azië, de essentie van de Leer voor leken. ‘Geest’ staat hier voor totale aanwezigheid. Het moment dat je ergens een ruimte binnengaat, creëer je ter plekke de situatie. We spraken eerder over situaties, ze liggen niet vast, ze zijn niet gegeven, ze worden elk moment ter plekke gecreëerd. Je komt een ruimte binnen en je hoeft niet eens iets te zeggen, en je creëert ter plekke de situatie, met al je patronen. Door je fysieke houding, je energetische werking, je manier van doen, je creëert ter plekke de situatie, heel wonderlijk. Wat zo interessant is, wellicht ken je dat, dat doorheen de tijd situaties zich herhalen, bepaalde werksituaties bijvoorbeeld. Je ziet steeds hetzelfde ontstaan en denkt: ‘Dat moet mij weer overkomen’. We weten inmiddels dat jij iets binnenbrengt, je creëert mede de situatie. Dat ervaar je bewust, als je je realiseert hoe het werkt, en dat brengt je op weg te gaan naar een Amor fati. Ga eens bij jezelf na die momenten waarop je zegt: ‘Daar loop ik altijd tegen aan’. Ga eens terug in je herinnering en onderzoek wat je daar binnen brengt, welk patroon, welke conditie? Wat neem je mee de situatie in? Wat breng je zelf in? Wat doe jij, opdat een situatie ‘is zoals ze is’?

Vanaf 8 maart 2021 starten we onder leiding van Maurice Genko Knegtel Roshi een nieuwe Zen Cirkel, die je deels fysiek in het Graalhuis in Utrecht en deels digitaal via Zoom kunt bijwonen. Klik hier voor meer informatie en opgave.

Karma, patronen en bevrijding. Amor fati

Geplaatst door op 11:45 in Blog | 0 reacties

Teisho’s gegeven tijdens de Izen intensive 2020 door Maurice Genko Knegtel Roshi\

Zoals je wellicht weet, is de zen traditie, net zoals het Chassidisch Jodendom en tot op zekere hoogte ook de Soefi traditie, een traditie met veel humor. Van alle zen grappen springt er voor mij één uit, een grap uit de Nederlandse annalen die speelt op Japans grondgebied. Het verhaal is echt gebeurd. Jan Willem van de Wetering, de auteur van de detectiveserie ‘Grijpstra en de Gier’ verbleef enige tijd in een zen klooster in Japan en schreef er enkele boeken over. Hij was een succesvol zakenman, had een gelukkig gezin, een mooi huis, alles erop en eraan. We spreken over de begin jaren ’50 van de vorige eeuw. In een jaar tijd verloor hij alles – zijn onderneming, zijn kapitaal, zijn huis en zijn huwelijk. Dit plaatste hem voor het zeer indringende vraagstuk over de zin van zijn bestaan en dit bracht hem tot zen. Hij moest ervoor naar Japan, want in die tijd was er nog geen plek voor zen in Europa. Hij kwam uiteindelijk bij een tempel, die van Harada Roshi, die wat woorden Engels sprak. In dokusan deed hij zijn verhaal. Hij deed een half uur lang zijn beklag en wachtte op wat de Roshi erop te zeggen had. Deze was een tijd stil, waarna hij de volgende legendarische woorden sprak: ‘Weet je, het is veel erger dan je denkt!’

Een geniale reactie. Jan Willem werd voor een tijd de leerling van Harada Roshi. Het is veel erger dan je denkt. Is dit een grap of is het precies wat het is? Laten we eens kijken naar Mazu, een zenmeester uit de achtste eeuw in China. Het is het verhaal van Mazu en lekenbroeder Feng. Mazu betekent overigens letterlijk ‘Meester Paard’.

Op een dag toen lekenbroeder Feng een zware kruiwagen voortduwde, zat zijn leraar Mazu vlakbij zijn klooster in Zuid China op een zwoele zomerdag met uitgestrekte benen op een sawadijkje. Feng vroeg: ‘Zou de eerwaarde zijn benen willen intrekken?’ Mazu antwoordde: ‘ Wat eenmaal is uitgestrekt, wordt niet ingetrokken.’ Waarop Feng antwoordde: ‘Wat eenmaal in beweging is gezet, kan niet tot stilstand worden gebracht’ en hij reed met de zware kruiwagen over de benen van Mazu. ‘Au, au!’, schreeuwt Mazu. Met verwondde benen ging Mazu terug naar zijn klooster. De volgende dag kwam hij de Dharma hal binnen gestrompeld met in zijn hand een bijl. Hij nam plaats op de Patriarchenzetel en sprak: ‘Degene die de benen van deze oude monnik verwondde, kome naar voren.’ Feng stond op en zei: ‘Hier ben ik’. Hij liep naar voren, naar Mazu, die hem gebood zijn hoofd op een houtblok te leggen. Feng strekte zijn nek uit voor Mazu. Mazu hief de bijl omhoog en liep vervolgens weg.

Waar gaat dit over? Wat eenmaal is uitgestoken wordt niet meer ingetrokken. Wat eenmaal in beweging is gezet, kan niet tot stilstand worden gebracht. Waar hebben ze het over?
Student: Karma.
Roshi: Karma, patronen, in een groef zitten. Kortom, het leven zoals we dat leiden.

Het tweede deel van de anekdote, waar staat dat voor? Gaan staan voor de zaak! Dat deed Feng. Hier ben ik! Dit verhaal gaat over wat Nietzsche ‘Amor fati’ noemde. Heb je lot lief. De hele zen traditie gaat uiteindelijk over één kwestie. Dit leven. MIJN leven! Al die jaren van beoefening, het gaat maar om een zaak en dat ben jij. Niet ‘het’ leven, maar veel concreter: MIJN leven.

Als we realistisch zijn, is er maar een leven en dat is jouw leven. Wie voelt? Wie ervaart? Wie heeft pijn? Dat is niet je buurvrouw, dat ben jij. Alles wat je ziet, hoort, voelt, jezelf voorstelt, dat ben jezelf. Als je het gebroken been van je buurvrouw ziet, dan voel je de pijn in je eigen been. Alles is bij jou.
Je hoort in spirituele tradities wel eens: ‘Alles is één’. Wat is dat? Wat is ‘één’ in des Boeddha’s naam? Dat is zo vaag. Maar wat is het concreet? Mijn leven! Kan niet anders! Waar komt alles nu samen? Juist, hier, in dit lichaam. Ieder van ons is het verzamelpunt.

De hele zen traditie verwijst naar één persoon, dat ben jij. Wat is hiervan de implicatie? Dit betekent dat deze training jouw bestaan bevestigt, precies zoals jij bent. Precies zo! Zonder uitvlucht. Deze hele training is een grote oproep tot amor fati, in eerste instantie. Hier begin je. Er is niets anders. Het is geen kwestie van ‘Ik kan er ook niets aan doen’. Of ‘Zo ben ik nou eenmaal’. Dat is niet wat Feng zegt. De realisatie dat het echt helemaal over jou gaat, is een andere. Als je je echt realiseert dat dit allemaal over jou gaat, geeft dat een enorme kracht. Maar het geeft ook een probleem. Ik moet daarbij denken aan een uitspraak van de Poolse zen lerares Joanna Lasota, die ik ontmoette in Bar Harbor, Maine, in de beginjaren van de Kanzeon Sangha van Genpo Roshi in de VS. De eerste Irakoorlog was juist gestart. De sneeuw in Maine lag meters hoog. Zij gaf een introductiecursus in zen meditatie. En ze deed alles heel traag. Haar eerste woorden die ze heel langzaam uitsprak waren: ‘In… Buddhism… there… is… no… hope’. Geweldig! Hoe vaak heb ik daar niet aan teruggedacht. Het is zo waar. Want als alles is, precies zoals het is, dan zit er geen enkele jota aan ruimte tussen. Dan is het precies DIT.

Wordt vervolgd. Vanaf 8 maart 2021 starten we onder leiding van Maurice Genko Knegtel Roshi een nieuwe Zen Cirkel, die je deels fysiek in het Graalhuis in Utrecht en deels digitaal via Zoom kunt bijwonen. Klik hier voor meer informatie en opgave.