‘Stralend’, de beoefening van geduld

Geplaatst door op 09:34 in Blog | 0 reacties

Aanwezigheid draagt. Ze draag mijn individuele bestaan en elk ander individuele leven. Ze draagt zonder onderscheid te maken en ze draagt door de nacht, en door de dag. Ze draagt door de hitte van de woestijn en de koude van ijzige velden. Wat zich ook in mijn leven voordoet, ik kan op deze dragende aanwezigheid vertrouwen. Maar mijn vlees is ongedurig. Mijn lijf wil voort, naar de glorende gebeurtenissen toe, het kan niet wachten. Mijn lichaam wil weg, weg van de pijn, weg van de bevroren situatie, weg van mijn lot, weg van de eindeloze luwte in de storm. Te vaak wil ik niet zijn waar ik ben, sjoemel ik met wat ik heb te doen, gun ik me geen tijd voor dit moment en heb ik geen zin in mezelf. De beoefening van ksantiparamita, ‘geduld’, ‘aandachtig wachten’, uitstaan, uithouden, herinnert de bodhisattva aan de grenzeloze ruimte die hij is en de eeuwigheid die hij ademt. In de beoefening van geduld herkent de bodhisattva de dragende aanwezigheid die door alles wat hem toevalt heen straalt en hem helder toont wat hem tegemoet treedt. Hij is er intiem mee. Hij is wat zich aandient. De situatie is nooit gescheiden van zijn bestaan. Hij zelf creëert de afstand in zijn rusteloosheid en verzet.

Concreet kan ksanti worden beoefend door een moment van pauze in te lassen in een dwingende situatie, terwijl alles in je schreeuwt dat je onverwijld moet handelen: adem in, adem uit, met onverdeelde aandacht. En, door als we een wezenlijke keuze dienen te maken of iets onverteerbaars verteren, de verzengende spanning van het moment uit te staan, uit te houden. Uithouden betekent ook niet vergelden, schrijft Candrakirti, want de vergelding is een nieuw solide obstakel in de aanwezigheid (Madhyamikavatara 3 (4)). Misschien is dit wel de moeilijkste vorm van de beoefening van geduld.

In dit veld waarin de aanwezigheid straalt doordat ik niet doe en wacht en rust in dit moment, worden alle objecten van kennis opgebrand, schrijft Candrakirti (ibidem 3 (1)). In geduld wordt de onbepaaldheid van zowel het object als het subject, het zelf, gezien (ibid. 3 (3)). De situatie trekt ‘open’ als de hemel na een bewolkte dag. Candrakirti schrijft: ‘Ongeduld neemt het onderscheid tussen wat juist en wat verkeerd is weg.’ (3 (7)) Je ziet niet meer helder wat je te doen hebt en wat je doet. Geduld daarentegen ‘bevat het inzicht in het onderscheid tussen de juiste en de verkeerde handeling.’ (3 (8)) Geduld is het tegenovergestelde van agitatie. De beoefening van geduld, gecombineerd met de beoefening van aanwezigheid (dhyanaparamita), ofwel meditatie, maakt ‘de totale uitputting van klampen en vijandigheid’ ervaarbaar (3 (11)). Dan heb je ruimte om te handelen en te ervaren.

Volgens Candrakirti worden dana, sila en ksanti vaak aan beoefenaars die niet de wereldse beslommeringen verzaken ter beoefening gegeven (3 (12)). En zeker in onze genadeloos snelle en verstrooiende tijd is de beoefening van geduld een uitstekende oefening om op gezette tijden bij onszelf te zijn en bij onszelf te rade te gaan.

Smetteloos en onberispelijk (vimala)

Geplaatst door op 09:40 in Blog | 0 reacties

Een grenzeloze, alles dragende en verbindende, wakkere aanwezigheid incarneert in deze volstrekt unieke, weerbarstige vleesjas. De zestien Mahayana voornemens ondersteunen het onderhoud van deze levende paradox en vormen tezamen de silaparamita, het beoefenen van ethische discipline. Natuurlijk is elke oefening waarin een aspect van onze incarnerende aanwezigheid wordt gerealiseerd tevens een beoefening van discipline. Maar als het gaat om sila, zijn met name de laatste tien grote voornemens praktijken waarin de bodhisattva kwaliteiten van zichzelf herkent en uitdrukt. Candrakirti spreekt over zelf-disciplinering zonder aan de vrucht van het ethische gedrag vast te houden of daarvan ook maar bewust te zijn (Madhyamakavatara 2 (3)). ‘Ons geluk hangt geheel af van onze moraliteit’, schrijft Candrakirti (ibidem 2 (7)). In een ander werk schrijft de Indiase filosoof dat het onderhouden van de morele discipline ons behoedt voor agitatie.

De eerste van de tien grote voornemens, ‘Ik neem me voor om niet te doden, maar alle leven te bekrachtigen’, brengt bij de bodhisattva zijn kwaliteit van fundamenteel verbonden zijn met elk levend wezen in herinnering. Het doden van een levend wezen is het doden van mezelf, er is in de basis geen enkel onderscheid. Hetzelfde geldt voor het doden van expressies van mezelf, het doden van bepaalde emoties, zoals woede, angst, jaloezie, hebzucht; het uitsluiten van bepaalde gedachten, zoals gedachten aan hechting, pochen, negatieve gedachten; het doden van tijd – en tijd is mijn leven. Maar ook het doden van ego, zoals in sommige spirituele kringen als begerenswaardig wordt beschouwd.

Echter, zodra ik me heb voorgenomen om niet te doden, word ik geconfronteerd met de sattva-kant van mijn bestaan, mijn strenge lijfelijkheid. Ik realiseer me dat ik doorgaans faal in het verwezenlijken van mijn voornemen, omdat ik als incarnatie mijn plaats in de wereld inneem en dit ten koste gaat van andere incarnaties. In mijn intentie om niet te doden, wordt zowel mijn fundamentele verbondenheid met elk levend wezen in herinnering gebracht, als mijn eigenstandigheid. Beide aspecten van mijn incarnerende aanwezigheid zijn belangrijk om te erkennen.

Precies hetzelfde geldt voor de andere negen grote voornemens. Sommige brengen mijn fundamentele verbondenheid met een ander levend wezen in herinnering, andere mijn inherent wakker zijn en helderheid, weer andere mijn overvloed en grenzeloosheid. Allemaal brengen ze ook mijn vleselijkheid in herinnering. Ik realiseer me mijn menselijkheid in het onophoudelijk falen van het volbrengen van mijn ethische voornemens. Zo blijf ik behoed voor ethische superioriteit.

De Tien Grote Voornemens van het Mahayana zijn:

Ik neem me voor om niet te doden, maar alle leven te bekrachtigen

Ik neem me voor om niet te stelen, maar te delen

Ik neem me voor om seksualiteit niet te misbruiken, maar het lichaam lief te hebben

Ik neem me voor om niet te liegen, maar mezelf waarachtig uit te drukken

Ik neem me voor om mezelf niet te bedwelmen, maar wakker te zijn

Ik neem me voor om geen kwaad te spreken over anderen, maar te ondersteunen

Ik neem me voor om mezelf niet te verheffen ten kostte van anderen, maar de eenheid te zien

Ik neem me voor om niet gierig te zijn, maar te geven

Ik neem me voor om me niet te laten leiden door woede en haat, maar me in de plaatst te stellen van de ander

Ik neem me voor om de drie Juwelen niet te bezoedelen, maar instrument te zijn

Soms wordt geopperd dat deze ethische intenties door een enkel voornemen en dus ook een enkele beoefening kunnen worden vervangen: het voornemen van ahimsa, geweldloosheid. Wat mij betreft gaat daar nog een voornemen aan vooraf. Dit noem ik het eerste en laatste ethische voornemen. Het komt rechtstreeks voort uit mijn herinnering van mijn aanwezigheid: niets en niemand op welke wijze dan ook uitsluiten. Positief geformuleerd, elk levend wezen, elk aspect van mezelf of elke gebeurtenis bekrachtigen. Dit is een voornemen en dat wil zeggen dat het aan slagen of falen voorbij gaat. Ze is telkens het begin van een beoefening en wellicht is dit de meest concrete beoefening van zen in ons dagelijkse leven.

 

Vreugdevol en zorgeloos (pramudita)

Geplaatst door op 08:24 in Blog | 0 reacties

Het moment waarop de bodhisattva zich voor het eerst van zijn leven herkent, is een van de belangrijkste momenten op het pad. Het is een moment van ommekeer, van inkeer, een bekering. Dit moment kan zich voordoen als een schok: alles is plotsklaps anders dan ik dacht, niets is meer wat het lijkt te zijn, zoals bij de confrontatie met een verlies. Het moment van inkeer kan zich voordoen als een vage herinnering, een intuïtie: er is meer dan dit, er is nog iets anders… Ook kan het moment zich voordoen in de vorm van een pijnlijke erkenning: ik ben nooit aan mezelf toegekomen, ik ben nooit echt mezelf geweest. In welke vorm dit moment zich ook aandient, het is het begin van een reis naar ‘binnen’, naar een grotere intimiteit met mezelf. Het boeddhisme noemt het bodhicitta, ‘het verlangen naar ontwaken.’

Iemand vroeg me eens tijdens een lezing of zen me gelukkig maakt. Dit is een uitstekende en volkomen terechte vraag. Zen maakt me niet per se gelukkig. Zen is mijn leven en soms ben ik gelukkig en soms ook niet. Wat me wel gelukkig heeft gemaakt, wat me van een depressie, misschien zelfs van waanzin heeft gered, is dat de beoefening van zen me een ‘container’ heeft geboden, een kanaal dat mijn brandende verlangen naar inzicht bundelt en richt. Het weer gaan stromen van dit brandende verlangen geeft vreugde en in zekere zin rust. Het brengt ook zorgeloosheid, ik hoef me geen zorgen meer te maken over mijn bestemming. Ik heb mijn pad betreden en het proces is niet meer aan mij alleen.

Het pad van de bodhisattva begint met loslaten, ontvankelijkheid, overgave. Een overgave aan het moment van inkeer en wat daarop volgt. Een ontvankelijkheid voor alle middelen die me ter beschikking staan om mijn pad mee te vervolgen, de leraar, de leer, de traditie, de oefeningen, de initiaties, de gemeenschap. Een loslaten van waarden en waarheden waaraan ik vasthoud. Ik zal mijn voorwaarden moeten laten vallen om ten langen leste mijn leven te kunnen ontvangen precies zoals het is.

Het pad van de bodhisattva begint met danaparamita, de beoefening van geven. Dit is heel concreet het geven van tijd, energie, geld, aandacht, voorwaarden, mezelf. De beoefening van geven brengt bij de bodhisattva het aspect van overvloed en grenzeloosheid in herinnering. In bodhi (mijn aanwezigheid) is geen tekort of beperking. Zoals in elke oefening kan ik me enkel het geven voornemen en vervolgens ontdekken hoezeer ik daarin tekortschiet. Hoezeer ik vasthoud aan mijn waren, waarden en waarheden. Na me dit aspect van sattva, van mijn zich hechtende vleselijkheid te hebben herinnerd, neem ik mijn oefening van geven weer op en neem me andermaal voor mijn tijd, energie, geld te geven en los te laten. Dit inzetten, soms loslaten, maar vaker op mijn schreden terugkeren, gaat net zo lang door tot geheel buiten mezelf om, de overvloed die mijn leven ten diepste is begint te stromen en er wordt gegeven zonder gever, zonder iets dat wordt gegeven en zonder geven. Dit is volgens Candrakirti het ultieme geven (Madhyamakavatara 1 (16)). Er wordt gegeven. Bodhi stroomt en stroomt over, zonder een spoor na te laten.

 

 

Het pad van de bodhisattva

Geplaatst door op 10:06 in Blog | 0 reacties

De Madhyamakavatara, ‘Het betreden van de Middenweg’ van de Indiase filosoof Candrakirti (600 – 650 n.C.), geeft een commentaar op het beroemdste werk van zijn grote voorganger Nagarjuna (150 – 250 n.C.), die vanwege zijn belang voor de ontwikkeling van het boeddhisme wel ‘de tweede Boeddha’ wordt genoemd. Nagarjuna’s Mulamadhyamakakarika, ‘De fundamentele verzen van de Middenweg’ geldt als een van de belangrijkste werken binnen het boeddhisme en de Indiase filosofie. Candrakirti schrijft in zijn commentaar op dit monumentale werk over de Desabhumika, de ‘tien stadia van het pad van de bodhisattva’.

Het Sanskriet woord bhumi betekent letterlijk ‘grond’ en het wordt vaak vertaald met ‘stadium’. Ik vertaal het echter met ‘veld’. Ik volg Candrakirti in zijn duiding van de velden van het pad van de bodhisattva en stem deze vervolgens af op de wensen en noden van de moderne, westerse beoefenaar. Regelmatig zal ik Candrakirti citeren, de cijfers achter het citaat verwijzen naar het hoofdstuk waaruit het komt en de regel waarin het is terug te vinden. De vertalingen zijn van mijn hand.

Voordat we Candrakirti volgen in zijn beschrijving van het pad van de bodhisattva, moeten we eerst ophelderen wat we kunnen verstaan onder ‘bodhisattva’ en wat er wordt bedoeld met ‘pad’. Ik vaar hier op mijn eigen kompas.

Bodhisattva betekent letterlijk: ‘aanwezigheid (bodhi) zijnde (sattva)’, of het ‘lichaam van aanwezigheid’. Ik vertaal het met ‘incarnerende aanwezigheid’. Dit betekent dat het onbeperkte in het beperkte huist, het grenzeloze in het begrensde, het doodloze in het eindige, het ongeconditioneerde in het door en door karmisch bepaalde, het volmaakt vrije in het streng afhankelijke en gehechte. De bodhisattva is een paradoxaal dubbelwezen, een God-mens, een heuse avatar. Wanneer de bodhisattva zich niet als zodanig herinnert, als een levende paradox, dan blijft zijn leven beperkt tot een begrensd, eindig, door en door karmisch bepaald, volstrekt afhankelijk en gehecht bestaan. Leidend in zijn leven is dan de angst. Zijn bevrijding vindt hij alleen in een waarachtig herkennen van zichzelf. In en door die herkenning kan hij pas echt worden geboren en bekrachtigd als deze vrije, zeer concrete ongeboren vleesjas.

Die herkenning vindt plaats in verschillende velden op het pad van de bodhisattva. In elk veld wordt een aspect van de incarnatie van aanwezigheid aangeduid en onderhouden, opdat de bodhisattva zichzelf, gaandeweg van veld tot veld, van aspect tot aspect en van beoefening tot beoefening herinnert. De herinnering van de verschillende aspecten van de paradox die hij leeft, is tegelijkertijd de uitdrukking van deze aspecten en de verwezenlijking ervan. Als de bodhisattva zich bijvoorbeeld zijn grenzeloosheid herinnert, drukt hij dit uit in een diep gevoelde ervaring van overvloed en verwerkelijkt hij dit in een geste van onvoorwaardelijk geven. Zo wordt de bodhisattva meer en meer zichzelf. Het goddelijke incarneert daadwerkelijk in het weerbarstige vlees.

Candrakirti ziet de velden als een organische en noodzakelijke orde in de tijd. Het pad begint met een ‘ommekeer’, een ‘inkeer’ of een ‘eerste herkenning’ en gaat via ‘onomkeerbaar’ in het achtste veld, naar de ‘bekrachtiging’ van de God-mens in zijn paradoxale totaliteit in het tiende veld. Elk veld biedt een specifieke mogelijkheid tot onderhoud EN een realisatie van een bepaald aspect van de ‘incarnerende aanwezigheid’.

Je kunt de velden ook zien als gebieden van beoefening binnen de context van de gegeven situatie. Vraagt de situatie om loslaten, dan beoefen je onvoorwaardelijk geven. Vraagt de situatie van je om te wachten en uit te houden, dan beoefen je geduld. Hier worden de velden praktisch toepasbaar in dagelijkse situaties die ons met klem om ons antwoord vragen.

 

Tien velden van onderhoud

Geplaatst door op 10:48 in Blog | 0 reacties

In de Zen Cirkel in Utrecht, die op maandag 13 maart 2017 start, richten we ons op tien velden van onderhoud van onze onbeperkte aanwezigheid in ons door en door beperkte, dagelijkse bestaan. Deze tien velden van onderhoud zijn de tien bhumi’s, letterlijk ‘gronden’ en vaak vertaald met ‘stadia’, die de Indiase boeddhistische filosoof Candrakirti (600 – 650 n. C.) noemt in zijn beschrijving van de carrière van de bodhisattva, de ‘incarnerende aanwezigheid’, in zijn magnum opus de Madhyamakavatara, ‘Het betreden van de Middenweg’. In de komende Zen Cirkel volgen we een eigentijdse interpretatie van dit belangrijke Sanskriet werk, die is afgestemd op het leven zoals wij dat leiden.

De tien bhumi’s reiken ons oefeningen aan die we in ons dagelijkse bestaan kunnen toepassen, zonder dat we de situatie waarin ons leven zich voltrekt hoeven te veranderen. Met andere woorden, we hoeven onze wereldse verantwoordelijkheden niet te verzaken. Juist daarom zijn de oefeningen die samenhangen met de tien velden waarin de bodhisattva aspecten van zichzelf herinnert, uitstekende wijzen van onderhoud om het meest wezenlijke in ons leven te blijven herkennen en in ons dagelijkse handelen te verwezenlijken. Voor een ieder die erin is geïnteresseerd om het spirituele naar het dagelijkse leven te brengen, schrijf je nu hier in