De dynamiek van wijsheid

Geplaatst door op 10:35 in Blog | 0 reacties

Het enige waar je in dit vluchtige, broze bestaan van kunt uitgaan, wordt door Nyingma meester Longchenpa in het hoofdstuk ‘Zicht’ van zijn ‘Juwelenschip’ als volgt verwoord:

‘Alles wat wordt ervaren en je eigen geest zijn de unieke, primaire werkelijkheid.’

En zo is het. Daar is geen speld tussen te krijgen. De enige ‘grond’ om op te staan is wat we aan den lijve ervaren, wat we zien, horen, voelen, ruiken, onze emoties en wat er in onze geest omgaat, wat we denken. Dit is onze enige, primaire werkelijkheid. Maar de stroom van onze dagelijks ervaren is vaak een ‘mistige situatie’, zoals Tibetaanse meester Trungpa het noemde. Wat wordt ervaren en onze eigen geest lopen dwars door elkaar heen. Zo trekt er een sluier voor onze unieke, primaire werkelijkheid en is het voor ons niet meer helder wat we zien.

Om een helder onderscheid te maken tussen wat wordt ervaren en wat ik daar in mijn hoofd mee doe, kunnen we wijsheid gaan beoefenen. ‘Prajnaparamita’ heet dat in het boeddhisme, het vervolmaken (paramita) van onderscheidende helderheid (prajna). Dit kunnen we al doen als we bijvoorbeeld in de meditatiehouding gaan zitten en ons richten op onze ademhaling. De dynamiek die dan ontstaat is de dynamiek van wijsheid. We richten ons op onze ademhaling en zijn met wat is. We dwalen af in onze gedachten, hetgeen een natuurlijke beweging van wijsheid is, we worden spontaan wakker uit ons dagdromen, we realiseren ons wat we in onze geest aan het doen zijn en keren weer terug naar onze ademhaling en naar wat we aan den lijve ervaren. Deze beweging, eindeloos, afdwalen en weer terugkeren, afdwalen en weer terugkeren, is het vervolmaken van prajna, onderscheidende helderheid. Wat in deze dynamiek langzaam maar zeker helder wordt, formuleert Longchenpa met de volgende woorden in zijn hoofdstuk ‘Zicht’:

‘Dit is niet hetzelfde als stellen dat alles wat je ervaart mentaal is, want wat je ervaart is niet een mentale gebeurtenis maar rijst op als het spel van de staat van pure en totale aanwezigheid. Deze stelling maakt namelijk geen onderscheid tussen de geest en de staat van pure en totale aanwezigheid. De staat van pure en totale aanwezigheid is het heldere licht, het zuivere feit van gewaarzijn, niet-conceptueel, altijd fris gewaarzijn.’

Wat helder wordt is dat wat er is en wat ik daar in mijn hoofd van maak niet hetzelfde is. En wat ook helder wordt is wat er is, wat ik aan den lijve ervaar. In de woorden van Lonchenpa:

‘Hoe dingen verschijnen is mijn wezen. Hoe dingen opkomen is mijn manifestatie. Geluiden en woorden die gehoord worden zijn mijn boodschappen uitgedrukt in geluiden en woorden. Alle vermogens, vormen, en al het ongerepte gewaarzijn van de boeddha’s, de lichamen van de levende wezens, hun gewoonten en dergelijke, alle leefgebieden met hun inwoners, levensvormen en ervaringen, zijn de oorspronkelijke staat van pure en totale aanwezigheid.’

Wat er ook is, het is degene die nu deze woorden leest. Luister! En Hij is het die denkt aan zijn zomervakantie in Spanje en de aangifte van zijn inkomstenbelasting. Feitelijk is er niets anders dan dit. Er is geen lijden, geen oorzaak, geen opheffing en geen weg. Geen verlichting, geen boeddha’s, geen doel en geen middel, nee zelfs geen meditatie. Zelfs prajnaparamita, het vervolmaken van onderscheidende helderheid, is precies een woord teveel gezegd. Luister, groots wezen! Dit is het. Kijk! Er is niets anders.

Waaraan je je vasthoudt

Geplaatst door op 10:11 in Blog | 0 reacties

Voor het volgen van ‘de verheven levenswijze’, die gericht is op het meest wezenlijke van je bestaan, dat evenwel onzegbaar en ondenkbaar is, geeft Nyingma meester Longchenpa in zijn ‘Juwelenschip’ een aantal voorwaarden. De verbinding tussen leraar en leerling is er een. De leer, datgene waarin de onverwoordbare essentie wordt voorgeleefd, uitgedrukt en ‘bewaard’, is een andere voorwaarde.

Het boeddhisme kent het begrip Dharma. Dharma is een woord dat breed uitwaaiert met betekenissen. Letterlijk betekent Dharma, ‘datgene waaraan wordt vastgehouden’, afgeleid van de Sanskriet wortel ‘dhr’, ‘vasthouden’. Dharma is volgens deze betekenis ‘de Wet’, zoals de Joodse religie deze kent, of ‘leefregels’. Maar Dharma betekent in het boeddhisme ook ‘werkelijkheid’. En ‘ding’ of ‘gebeurtenis’. Naast deze betekenissen is Dharma ook ‘de leer’ of ‘het onderricht’.

De eenheid van Dharma als werkelijkheid en onderricht wordt uitgedrukt in Longchenpa’s hoofdstuk ‘De leer’ uit zijn ‘Juwelenschip’: ‘Uit het totale veld van ervaring manifesteert zich het niet te lokaliseren domein van de onvervalste werkelijkheid, dat van een immense uitgestrektheid is, vrij van elk maaksel, de hoogst ordenende macht van het universum, die de diepe structuur weergeeft van dat wat is. In dit domein, een immens paleis opgebouwd uit licht, communiceert hij door een onverwoestbaar kennend responderen op te wekken uit het altijd frisse gewaarzijn, zijn eigen oorspronkelijke staat en die van de vijf boeddha’s.’

Wie is de ‘hij’ die volgens dit citaat communiceert ‘door een onverwoestbaar kennend responderen op te wekken’?

‘Luister’, roept Longchenpa telkenmale in zijn tekst. ‘Luister’, en daar staat deze hij in zijn volle glorie voor je. Hij, die nergens vandaan komt en nergens heen gaat, die ongeboren is, geen begin kent en geen einde en die altijd wakker aanwezig is. Hij is het die nu deze woorden leest. Hij communiceert in een lange reeks van incarnaties, Boeddha’s, Patriarchen, Rinpoche’s, Leraren, waarin hij zich volledig manifesteert en waarvan die manifestaties ook worden herkend en erkend door voorgaande generaties incarnaties van dit ‘immens paleis opgebouwd uit licht’.

Dat de incarnatie die hier en nu communiceert in een lange rij staat van andere incarnaties is niet onbelangrijk. Het toont dat de Dharma niet pas gisteren wordt herkend, voorgeleefd en uitgedrukt. De Dharma wordt ‘bewaard’ in een lange rij van volstrekt unieke individuen, die allemaal anders en allemaal dezelfde zijn. Dit geeft de aspirant iets waaraan hij zich kan vasthouden in zijn eenzame zoektocht door dit grondeloze domein van het onzegbare.

De Dharma is niet om aan ‘de grote klok te hangen’, schrijft Longchenpa. De Dharma is er om te zien, horen en ontvangen in kleine groepen gelijkgestemden. Sacrale groepen, die buiten de orde van de instrumentaliteit, een taal bezigen die men eigenlijk alleen in gekkenhuizen hoort. De Dharma is er om te ‘bewaren’, in de dubbele betekenis van dit woord: uit te drukken en voor te leven, maar ook te behoeden en door te geven.

 

Vijf essenties van de volger van de Weg

Geplaatst door op 09:44 in Blog | 1 reactie

Na de vijf essenties van geestelijke leiding te hebben besproken, ligt het voor de hand ons te richten op de vraag wat we van de leerling op het geestelijke pad mogen verwachten. Longchenpa zegt hier in ‘Het Juwelenschip’ in het hoofdstuk ‘De leerling’ het volgende over:

‘In het algemeen moet de aspirant zich verbinden en dient hij te beschikken over een duurzaam zelfvertrouwen, een sterke liefde voor al wat leeft, een standvastig vertrouwen en een groot vermogen tot edelmoedigheid.’

Wat je mag verwachten van een spiritueel student of een volger van de Weg, wil ik andermaal uitdrukken in vijf essenties.

Een. Een leerling is pas echt leerling in relatie tot een leraar. Natuurlijk kan een leerling ‘een leerling van het leven’ zijn, maar dit is wel beperkt en te vrijblijvend. Jezelf aanbieden in al je gezichten, oordelen en patronen en jezelf verbinden met een persoon van vlees en bloed, die zo zijn eigen nukken en tekortkomingen heeft, is essentieel in het leerlingschap.

Twee. Een volger van de Weg heeft een passie voor het leven. Die passie hoeft niet streng gearticuleerd te zijn. Vaak weet de leerling niet precies wat hem beweegt. Het feit dat hij bewogen wordt, zonder dat hij weet waarom en waarheen, is voldoende voor een spiritueel student. Zoals de leerlingen die aan de voeten zaten van de oude leermeesters van de Indiase Upanishads antwoordden op de vraag waarom ze zich toch al die moeite getroosten: ‘Just for the hell of it.’

Drie. De leerling is begiftigd met enige mate van openheid van geest. De leerling moet in ieder geval bereid zijn om om zijn eigen hoek heen te kijken. Hij is nieuwsgierig en beschikt over het vermogen om zich te verwonderen.

Vier. Een volger van de Weg beschikt over een lange adem, energie en geduld. Hij weet intuïtief dat een inzicht niet de gehele waarheid is en richt zich op een horizon die voortdurend wijkt. Hij heeft voldoende vertrouwen in de Weg om te twijfelen aan de vruchten en de doelen van zijn onderneming en aan zijn vermogen om deze te realiseren.

Vijf. Een geestelijk student is bereid om te geven, niet alleen zijn tijd, geld en energie, maar ook zijn heilige huisjes en stokpaardjes. Hij is bereid zijn voorwaarden ter discussie te stellen en zichzelf los te laten in zijn beoefening en in de intimiteit met zijn leraar. Deze bereidheid is groter dan zijn angst.

Vijf essenties van geestelijke leiding

Geplaatst door op 08:51 in Blog | 1 reactie

Wie op zijn spirituele pad verdieping wil en om zijn eigen hoek wil heenkijken, dient zich op een of andere wijze te verbinden aan een geestelijk leraar of lerares. Wat mag je van zo’n leraar verwachten? Wat zou zo’n leraar je kunnen bijbrengen? De Tibetaanse Nyingma Meester Longchenpa zegt hier in ‘Het Juwelenschip’ het volgende over:

‘De leraar die zich de werkelijke betekenis van de staat van totale volledigheid heeft eigen gemaakt (…), kan in de leerling een direct besef van de kern van de zaak wekken. Hij weet het verheven pad te tonen, dat de leerling voert tot het verwerkelijken van deze essentie. De leerling dient te vertrouwen op iemand die niet is aangetast door afleidingen van wereldse aard of door de verleiding van louter semantisch onderscheid. Zo’n achtenswaardige leidsman dient geëerd te worden met allerlei geschenken.’

Wat je mag verwachten van een spiritueel leraar of goeroe, wil ik uitdrukken in vijf essenties van geestelijke leiding.

Een. Geestelijke leiding kan uitsluitend worden verkregen door de bekrachtiging van een ander persoon van vlees en bloed, die zelf een geestelijke traditie belichaamt. Geestelijke leiderschap kun je nooit voor jezelf bekrachtigen. Vergelijk wat de Japanse zen meester Dogen Zenji opmerkt in zijn magistrale tekst, de Genjo Koan: ‘Als boeddha’s werkelijk boeddha’s zijn, merken ze niet noodzakelijkerwijs op dat ze boeddha’s zijn. Echter, ze zijn levende boeddha’s, die doorgaan met boeddha’s te verwerkelijken.’

Twee. De geestelijke leider spreekt en handelt niet vanuit een bepaalde traditie. De traditie spreekt en handelt door de geestelijke leider heen. Precies hierin ligt zijn vaardige handelen en zijn ambacht. Een kundige slager beent niet zelf zijn varken uit. Zijn handen worden door een eeuwenlange traditie geleid.

Drie. De geestelijke leider leeft in het grondeloze vertrouwen dat hij de weg is. En hij weet dat de weg NIET van hem is.

Vier. Geestelijke leiding functioneert vanuit niet-weten. De geestelijke leider is altijd ook een student en hij beoefent in het besef dat zijn onderzoek eindeloos is. Nogmaals Dogen Zenji in zijn Genjo Koan: ‘Wanneer de waarheid je totale lichaam-en-geest niet vult, dan denk je dat je er al bent. Wanneer de waarheid je lichaam-en-geest vult, dan zie je dat er iets ontbreekt.’

Vijf. De geestelijke begeleider onderricht met zijn bare bestaan, dat het bestaan is van een persoon die een traditie onverdeeld belichaamt. Zijn leven is zijn onderricht. Elke geestelijke leiding is dus volstrekt uniek en toch zit er ‘iets’ in dat hij deelt met andere geestelijke begeleiders en voorgaande generaties van geestelijke leiding. Dit is ‘iets’ dat niet zo moeilijk is om te zien, maar onmogelijk om te bevatten.

De verheven levenswijze

Geplaatst door op 09:13 in Blog | 0 reacties

Waarom zou je het onzegbare in woorden willen uitdrukken? De grote Nyingma meester Longchenpa (1308 – 1363) beantwoordt in zijn voorwoord van ‘Het Juwelenschip’ deze vraag als volgt:

‘Ter wille van toekomstige generaties laat ik hier mijn licht schijnen op de betekenis van de verheven levenswijze. Deze benadering van het leven, die voortkomt uit het universeel scheppende dat vanuit zichzelf volmaakt is, is de weg tot het direct ervaren van het pure gewaarzijn, het hart van alle ervaringen. Deze benadering is NIET een geleidelijk proces van zelfontwikkeling; hiermee ontwaak je werkelijk tot wat is, nu, op dit moment.’

Longchenpa’s inzet roept tenminste twee vragen op. Ten eerste, wat bedoelt hij met ‘de verheven levenswijze’? Welke levenswijze zou dat kunnen zijn? Zou ze niet de wijze van leven zijn, waarin je niets uitsluit en niets uit de weg gaat? De levenswijze waarin je werkelijk aangaat en aanneemt wat zich in je leven aandient? Niet zonder terugdeinzen, verdriet, angst en beven, maar toch. Je staat ervoor. Je staat je leven uit. Je neemt in en houd je ogen open. Je zegt ‘Ja!’ tegen wat zich aandient, al zou alles in je liever ‘Nee, laat maar’ willen zeggen. En ten tweede, wat is werkelijk, nu, op dit moment? Wat is werkelijk, zonder dat ik er iets mee doe of er iets van vind? Wat is dit, wat zich hier en nu in mijn leven aandient?

‘Luister!’ roept Longchenpa een aantal keren in de inleiding die op zijn inzet volgt. ‘Luister!’ Wie is het die dit woord hoort? ‘Luister!’ Wie wordt hier aangesproken? En wie spreekt? Is dit niet een en dezelfde persoon? ‘Ik ben de leraar, het universeel scheppende’, schrijft Longchenpa. Wie is die ‘Ik’, die spreekt over het onveranderlijk scheppende? Wie is de Leraar van de leraar?

‘Het scheppende van het universum onderricht jullie, gelukkigen, deze directe leer, dit geschrift over de vrijheid waarnaar je niet hoeft te streven, deze mondelinge overdracht van de verheven leer, die de kern van de werkelijkheid raakt, zonder te overdrijven of tekort te doen. Dit universeel scheppende is de unieke werkelijkheid, de kern van elk spiritueel streven en van elke leer.’

‘Luister!’ Longchenpa heeft nooit een woord gesproken. Degene die nu deze woorden hoort, is op zoek naar zichzelf en alleen hij kan naar zichzelf op zoek gaan, omdat hij zichzelf, hoe vaag ook, herinnert. Degene die nu deze woorden hoort, spreekt zichzelf uit, dicht bij zichzelf, dichter bij, heel intiem en heel precies. Zijn spreken is niet zonder zich te herroepen; hij zoekt zichzelf en onderzoekt. Maar elk woord dat hij aarzelend uit is de leer. En Longchenpa heeft nimmer een woord gezegd.